← Table of contents
Borneo van Zuid naar Noord

Note 4 — XVII.

Reading edition

Deze versterking lag op den rechteroever der Kapoeasrivier, iets boven de monding der soengei Mawat en verhief zich op een heuvel, die zich ongeveer 60 M. boven den waterspiegel verheft. Als een kaap steekt die heuvel in de rivier uit en wordt langs drie kanten door haar omspoeld. Aan die zijden heeft de heuvel glooiingen nagenoeg onder natuurlijke helling; aan de landzijde sluit hij, een kleine ondiepe depressie van het vlak niet medegerekend, aan een heuvelenrij aan, die zich ongeveer van oost naar west uitstrekt en waarvan hij, zoover het oog reiken kan, het hoogste punt schijnt uit te maken. De versterking vormde een langwerpig vierkant van ongeveer 80 op 120 M, en was zoodanig op den heuvel opgericht, dat hare twee achtersaillanten de rivier op- en neerwaarts bestrijken en hare beide voorsaillanten daartoe krachtig meewerken konden. De ompaling was van stevig ijzerhout vervaardigd, terwijl de boomen, daartoe gebezigd, een doorsnede van 30 of 32 cM. bij een hoogte van tien M. boven den grond hadden. Om de tien palen was een palissade geplant, die van aaneengelaschte boomen vervaardigd, ongeveer drie maal zoo hoog was als de anderen en op zijn spits toeloopend uiteinde een gebleekten menschelijken schedel droeg. Binnen de versterking waren verscheidene Dajaksche woningen hoog boven den grond gebouwd, die evenwel door de palissadeering beschermd, daarenboven met zware ijzerhouten planken betimmerd en met sierappen4 gedekt waren.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings