Note 2 — XVI.
Reading edition
„Heb geduld maar. Alles op zijn tijd. Maar om tot het onderwerp terug te keeren. ’t Is waar, groote verscheurende dieren ontbreken, hoewel het tijgergeslacht nog al overvloedig vertegenwoordigd is door een paar kleine soorten als de panter en de tijgerkat2, die voor den mensch onschadelijk, toch al weer meehelpen om der vogelenwereld een wreeden oorlog aan te doen. Een ander dier, dat nog al in de bosschen hier aangetroffen wordt en van al de eilanden van den Archipel nog slechts op Sumatra gevonden wordt, is de honig- of suikerbeer3, die als echte snoeper slechts voor de bijen een wezenlijke vijand is. Vindt ge het geen gelukkige streek, waar de mensch aan den wal slechts zijn natuurgenoot en in het water slechts den krokodil, dat andere onverzadelijke monster, te vreezen heeft?”