Note 1 — XVI.
Reading edition
Daar boven kotta Baroe geen gemunt geld meer gangbaar is en men zich in de binnenlanden van Borneo niets kan aanschaffen dan door middel van ruilhandel, zette Johannes al het baar geld van het reisgezelschap tegen eenige stukken sits en andere lijnwaden, maar vooral tegen stofgoud van de hand. Al reeds van Kwala Hiang af vertoont dat edel metaal zich, evenwel nog in geringe mate, in het aangeslibde zand der rivier. Te kotta Baroe is de productie al reeds de ontginning waard en komt het stofgoud als handels- of liever als ruilartikel voor. Als vertegenwoordiger van het Nederlandsch Gouvernement werd Johannes welwillend behandeld en verkreeg hij de thaël1 gouds voor 55 gulden, terwijl die te Bandjermasin een waarde heeft van 60 tot 70 gulden.