Note 2 — XII.
Reading edition
„De Dajaksche jongelingen in de bovenlanden oefenen zich geregeld in het koppensnellen,” verklaarde Dalim. „Eerst plaatsen zij een klapperdop op een dunnen staak en is het voor het kind een behendig stuk dien staak vlak onder de noot, zonder deze te beschadigen, door te houwen; later, als zij meer kracht bekomen hebben, wordt de staak vervangen door een pop ter grootte van een veertienjarigen knaap, met een nekstuk van zacht maar toch veerkrachtig handjolotong2 hout, en om de illusie te volmaken, wordt de klappernoot met een pruik versierd, vervaardigd van de vezels van den arengpalm, die, wanneer zij goed toebereid zijn, wel wat overeenkomst hebben met het sluike haar van de menschen van dit land. Van daar die groote bedrevenheid. Op lateren leeftijd onderhouden zij die, door ijverig aan sneltochten deel te nemen.”