Note 1 — I.
Reading edition
De sergeant verwijderde zich. Baba1 Poetjieng was een sluwe Chinees, die zich bij de bezetting onmisbaar had weten te maken, door den verkoop van allerlei koopwaren, als: tabak, garen, naalden, bier, groenten- en vleeschblikjes, trassie, uien, papier, pennen en inkt, enz. enz., alles zeer goede waar, puike waar, voor bitter weinig geld. Vergeleek men zijn prijzen met die der Europeesche handelaren te Bandjermasin, zelfs met die op Java, dan kon het niet anders, of de vriendelijke Kee1 moest er geld bijleggen. En dat deed hij ook, dat verzekerde hij bij de doodkist van zijn vader en van zijn grootvader; maar dat deed hij met genoegen voor zijne goede vrienden de Hollanders. Eens evenwel had de luitenant buiten het fortje een leeg sardijntjesblik gevonden en dat wegens het hem onbekende merk opgeraapt. Terwijl hij het bekeek, werd hij een sterke araklucht gewaar. Een tweede blikje oprapende, rook dit zoo zoetachtig flauw, dat onze officier de gedachte niet van zich kon zetten, dat daarin opium geborgen was geweest. Een andere omstandigheid was onzen luitenant niet ontsnapt, namelijk dat telkenmale, wanneer Baba Poetjieng met zijn koopwaren aan de aanlegplaats was verschenen, een zekere opgewondenheid, zoowel onder de Inlandsche als onder de Europeesche soldaten van het garnizoen heerschte. Alle pogingen evenwel, om den sluwen Chinees te betrappen, hoe listig ook aangelegd, waren steeds mislukt. De blikjes, bij zulk een gelegenheid gekocht, bevatten telkens de prachtigste sardijnen of wel de heerlijkste Californische vruchten op water; en met een grijns van tevredenheid op het gele scheelziende gelaat, vroeg onze Baba den officier bij de eerste de beste gelegenheid, dat hij hem ontmoette, of het gekochte hem gesmaakt had? hij had het met zorg voor den toean uitgezocht. De lezer begrijpt nu, waarom de luitenant zoo speciaal zocht te weten te komen, of Baba Poetjieng heden aan de aanlegplaats verschenen was.