Note 1 — De Fransche komiek en de douairière.
Reading edition
“Wie? Prevost!” riep Justine, die met de derde gast, hare nicht Jeannette, had staan praten, terwijl zij zich bij de sprekers aan den haard voegde: “Waarlijk, ik heb nooit iemand gezien, die zoo volmaakt voor hansworst geschikt is. Wat zei Van Bierenstag ook?—Een ui—ja, ’t is een ui; als hij opkomt, heeft men al genoeg. Zaterdag, hé mama, ik wilde, dat j’m gezien hadt Van Bierenstag; perfect! perfect! Comique tout à fait; en dan zijn Titi1, lieve hemel, da’s om te gillen! Neen, daar zijn onze komieken kinderen bij; als kwik zoo vlug, hé, mama? Je zult ’m zien Van Bierenstag; ik zeg je er niets van, maar, ’t is het gekste, het dolste wezen wat maar te bedenken is. Ja,” vervolgde zij, zich weer tot Jeanne wendende: “je zult er van opkijken, cousine; je hebt nooit iets gezien kind, maar als je thuis komt en alles vertelt, dan gaat oom, in spijt van zijn vaste principes, morgen óók naar de komedie. O! ’t is....”