Note 8 — INLEIDING.
Reading edition
Eise Eisinga, thans (1780) mederaad in de Vroedschap der stad Franeker, die sedert eenige jaren eene neringrijke fabrijk van Friesche saaijetten bezit, is de uitvinder en maker van een kunststuk, dat de opmerking van alle liefhebbers der sterre- en werktuigkunde ten hoogste verdient. Eene groote genegenheid tot de wiskunde, reeds in zijne eerste jeugd, gevoelende, besteedde hij, om daarin eenige vorderingen te maken, al de uren, welke hij in zijns vaders huis aan de wolkammerij kon onttrekken, en begaf zich te dien einde, ééns in de week, van Dronrijp, zijne woonplaats, naar Franeker, om aldaar van Willem Wytzes, een burgerman, die in de wiskunde vrij wel ervaren was, eenig onderwijs te halen. Bij dezen meester heeft Eisinga de rekenkunde, de zes eerste en het elfde en twaalfde boek van Euclides doorgeloopen, en iets, doch zeer weinig, van de algebra geleerd. Vervolgens heeft hij van dezen eenige handleiding in de klootsche driehoeksmeting, de schikking van het hemels-gestel, het gebruik van de astronomische tafelen en het berekenen van de eklipsen ontvangen. Doch hij heeft dit alles door zijn eigen vernuft verder bewerkt, als hebbende nimmer eenige gedrukte boeken, behalve de sinustafelen en de astronomische tafelen van Van der Molen en van La Hire, om de wis- of sterrekunde te leeren, gelezen, maar alleen gelegenheid gehad de schriften zijns meesters te gebruiken en na te schrijven. Deze zijn mij door hem geleend, waardoor ik in staat gesteld ben, om eenigzins te oordeelen, hoe verre het onderwijs gegaan zij. De liefhebberij wakkerde allengskens bij den jongeling meer en meer op, en had hij veel vermaak in het berekenen van eklipsen, zoodat hij eene zeer naauwkeurige uitrekening gemaakt heeft van al de zons- en maansverduisteringen, die, tot aan het einde der achttiende eeuw, te Franeker zouden plaats hebben8. Bovendien heeft hij er zeer nette afteekeningen bijgevoegd, zoodat men, met een opslag van het oog gewaar wordt: het uur van het begin, het midden en het einde der verduistering, hare grootte, aan welken kant zij beginnen en geschieden zal, zoo als ook den schijnbaren weg van de Maan.