Note 1 — BESLUIT.
Reading edition
Voor het overige, hoewel ik ten volle overtuigd ben, en, naar ik oordeel, bewezen heb, dat dit kunststuk veel vollediger is, dan een eenig, zoo ver ik weet, van den zelfden aard, houd ik het echter, in overeenkomst met de begrippen des vernuftigen uitvinders zelven, niet in alle opzigten voor geheel onverbeterlijk. Want, behalve dat wij te voren gezien hebben, dat er eenige stukken zijn, zoo als de bewegingen der planeten om hare assen, en die der satelliten van Jupiter en van Saturnus; de evenwijdige stand van de, op de ecliptica hellende, as der Aarde, en van den ring van Saturnus, die op een of ander der planetaria, van welke wij gesproken hebben, en niet op het onze, vertoond worden,—weet ik, dat de uitvinder nog dagelijks zijne gedachten laat gaan over nieuwe bijvoegsels en verbeteringen, en dat hij, met die opregte zedigheid, welke aan groote geesten een nieuw sieraad bijzet, rondborstig verklaart, dat, indien hij op nieuw een dergelijk stuk had te vervaardigen, hij met minder moeite eenige dingen tot meerdere volkomenheid zoude kunnen brengen, dan waarin zij thans zijn; en andere, welke op dit stuk niet vertoond worden, enkel, omdat zij op den behoorlijken tijd niet in de gedachten gekomen zijn, zeer gemakkelijk zoude bijvoegen. Eindelijk ben ik er ver af van aan het menschelijk vernuft eenige palen te willen stellen, en te denken, dat men in vervolg van tijd nimmer verder zal kunnen komen, dan wij thans zijn, zelfs in die stukken, welke ons het naast aan de volmaaktheid gebragt schijnen. Ik houd mij bestendig aan de verstandige en gegronde spreuk van Plinius: Ne quis desperet saecula proficere semper1.