← Table of contents
Beówulf

Editorial note — INLEIDING. (continued 2)

Lion Simons translation

Men zou eene heele lijst van dergelijke voorbeelden uit de Nederlandsche dichters kunnen samenstellen. Stemt overigens het Nederlandsche volk zonder de minste hapering, ja «met onbeklemde borst» aan de hand van Tollens niet het godgevallig feestlied in?

Doch beschouwen wij de zaak wat van nabij.

Wat verstaat men door den aard onzer taal?

Ik kan er slechts twee beteekenissen aan toekennen.

Indien deze samenstellingen in strijd zijn met het Nederlandsch als Germaansche taal, dan verwijzen wij naar de Engelsche en Duitsche poëzie, waar zij legio zijn, en naar de oude Germaansche dialecten.

Het Gotisch heeft handu-waurhts, waaraan het Latijnsche manufactus geheel beantwoordt. Het zal wel onnoodig zijn, op hun gebruik in het Grieksch en Sanskrit te wijzen.

Ofwel verstaat men door den aard der taal het algemeen gangbare spraakgebruik der beschaafden, dat, zooals Bilderdijk zegt, geene andere betrekkingen dan den genitief toelaat, b. v. huisdeur = deur van het huis?

Nochtans vinden wij eene menigte voorbeelden van andere betrekkingen, zoowel bij zelfstandige als bijvoeglijke naamwoorden, waar het hier vooral op aankomt, en wij twijfelen er niet aan, of de huidige dialecten leveren ook dergelijke samenstellingen op.

Zelfst. nw.: hemelvaart, watervrees, broodnijd, steendruk, kindergek, koordedanser, slaapwandelaar, wielrijder, geldgebrek, zwaardvechter, regenscherm, zeeroover, stoelgang, kleurenblindheid, leedvermaak, enz. enz.

Bij dit laatste woord teekent Van Dale aan:

«De reden, waarom wij geene schadevreugd of onheilvreugd zeggen, is, omdat wij bij de uiteenzetting dezer samenstelling niet zeggen kunnen: vreugde der schade of des onheils, maar over schade of onheil. Hierom is ook het thans gebruikelijke leedvermaak (eene vertaling van het Hoogd. Schadenfreude) af te keuren.»

Bij deze regels denk ik onwillekeurig aan de kunstmatig ingedrukte voetjes der Chineesche dames.

Bijvoegl. nw.: composita met rijk: roemrijk, volkrijk, scheeprijk enz.; die met schuw: menschenschuw, zonneschuw, lichtschuw; die met blind: dagblind, sneeuwblind; bedlegerig, bijbelvast, godebehaaglijk, wereldberoemd, godgewijd, zeevaardig, dienstvaardig, waterdicht, luchtdicht, handtastelijk, proefondervindelijk, slagvaardig, kinderzalig, godzalig, godgeleerd, nagelvast, handgemeen, mondgemeen, vingersnel, handgauw, handgetrouw, natuurtrouw, zeehard, zeeziek, het in de dagbladen niet ongewone wereldkundig, staatsgevaarlijk, levensgevaarlijk, enz. enz.

Deze lijst zou gemakkelijk vermeerderd kunnen worden bij eene nauwgezette doorbladering van het woordenboek en bij het raadplegen der gewestspraak.

Wij besluiten hieruit, dat zij, die deze samenstellingen afkeuren, den vooruitgang der taal op willekeurige wijs belemmeren, en op éene lijn kunnen gesteld worden met hen, die misbruik maken van vreemde woorden, in plaats van hun «moers taal» te spreken, om het met Kegge onbewimpeld uit te drukken. ↑

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings