← Table of contents
Beówulf

Editorial note — VIII.

Lion Simons translation

°464 De Wylfings moeten beschouwd worden als Gooten, of ten minste als nauw ermede verwant.

Niettegenstaande de Gooten Ecgtheow trachtten te doen blijven, vluchtte deze over zee naar Hrodgar, omdat hij beducht was voor de wraak der Wylfings: (heirschrik v. 466).

Hrodgar betaalde het weergeld en verplichtte daardoor Ecgtheow. De plaats is vrij duister.

Müllenhoff wijst de Wylfingen ten zuiden der Oostzee thuis.

Het geslacht der Wylfingen, Wulfingen, dat ook in Widsidh vermeld wordt, is in de Duitsche heldensage bekend.

Hiertoe behoort Hildebrand met zijne dapperen, de moedige dienstman van Diederik van Bern (Theodorik de Groote). ↑

° 466 hem: Ecgtheow. ↑

° 474 zoende ik: Hrodgar was de aangewezen man om de verzoening te bewerken, daar hij vanwege zijne echtgenoote met de Wylfingen vermaagschapt was. Vgl. 632. Nota. ↑

° 482 naar Grendels schrikverschijning: naar den verschrikkelijken Grendel. ↑

° 491 bankvloer: de vaste bodem, waar zich de banken of tafels bevonden die men kon opruimen om plaats te maken voor het nachtleger. Vgl. v. 1260. ↑

° 497 Beowulf heeft dus staande zijne aanspraak gehouden. ↑

° 501 aalkan: bierkan. ↑

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings