← Table of contents
Beówulf

Editorial note — XLIII.

Lion Simons translation

° 3257: op den berg: op de walvischhoogte. ↑

° 3258 de houtwalm hief zich: het hoog opstijgen der vlam was een teeken, dat den afgestorvene des te meer eer in Walhalla zou te beurt vallen. ↑

°3264 de jonkvrouw: Beowulfs bijslaap. Vgl. v. 3124 vlg.

Heur naar voorgevoel stemt overeen met de voorspelling van den bode.

Cosijn wijst erop, dat hier geen sprake is van Beowulfs weduwe, zooals Socin aanneemt en ook Müllenhoff, die nochtans den inlasscher voor deze bijzonderheid verantwoordelijk stelt. ↑

° 3264–69 Vertaald volgens Bugge’s aanvulling, want de tekst biedt tal van leemten aan. ↑

°3278: in den berg: in den grafheuvel.

Men heeft groote schatten uit de noordsche grafsteden opgedolven. De rijkdom aan goud is in den oudsten tijd der ijzerperiode verrassend; in een later tijdperk komt meer zilver voor.

Ons gedicht levert ons hier eene juiste en volledige beschrijving van de Oudgermaansche begraafplaatsen.

Op de brandplaats, hier de walvischhoogte, werd een heuvel opgericht. Wapens, geliefkoosde voorwerpen en kostbaarheden werden den overledene meegegeven, somtijds ook slaven en huisdieren. Dikwijls werd het lijk op een in den heuvel ingesloten schip uitgestrekt. Een steenen wal omgaf somtijds het gansche.

Evenals bij de Grieken en Romeinen mocht geen lijk onbegraven blijven liggen.

Quando rex jacebat in hac civitate, servabant eum XII homines de melioribus civitatis.

Reeds ten tijde van Tacitus bestond er een adel bij de Germanen, welke eene zekere onderscheiding, doch geene voorrechten genoot.

Cosijn wijst er op, dat Jornandes in de bekende beschrijving van Attila’s begrafenis van eene soortgelijke plechtigheid gewaagt.

«Nam de tota gente Hunnorum electissimi equites in eo loco, quo erat positus, in modum circensium cursibus ambientes, facta ejus cantu funereo.. referebant.» Cap. 16. ↑

° 3284–85 De zonen der twaalf voornaamste edellieden, welke laatsten, volgens Domesdaybook, de eerewacht des konings uitmaakten. ↑

° 3291–92 Dolorem et tristitiam tarde ponunt; feminis lugere honestum est, viris meminisse. Tacitus. Germ. 27. ↑

°3296–98 Ziedaar het ideaal van den Germaanschen koning!

Het zij mij hier vergund de aandacht in te roepen op eenige merkwaardige overeenstemmingen tusschen den Beowulf en de Westvlaamsche folklore, overeenstemmingen, welke ik aan de bereidwillige mededeeling van Dr. Gezelle te danken heb en welke aantoonen, dat de sage van Grendel eens inheemsch moet zijn geweest in Vlaanderen. Om niet te spreken van verscheiden Wvl. woorden, die eene merkwaardige overeenkomst toonen met het Angelsaksisch, kan ik met het volgende volstaan.

De mede, die in de middeleeuwen in onze streken zeer verspreid was, zoodat in verschillende steden, o. a. te Leuven, er eene belasting op stond, wordt nu nog door het volk nabij de Vlaamsche kust gedronken en staat als zeer koppig bekend; sommige sparren behoorende tot het timmerwerk van de Vlaamsche huizen heeten hoornboom, hoornbalke, hetgeen aan Heorot doet denken; Grendele, Degrendele is nog zoo algemeen in Westvl. als Dendievel.

Eindelijk wijst mijn geleerde berichtgever nog op de uitdrukking de duivel en zijn moer, die in Vlaanderen (en ook in Hollandsch Limburg) van algemeen gebruik is en aan Grendel en diens moeder herinnert. ↑

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings