Editorial note — XLI.
Lion Simons translation
° 3052 de stoute: Ongentheow moest den terugtocht aanvaarden. ↑
° 3058 het varensvolk: de Gooten. ↑
° 3062 hun standaard: deze werd nu buit gemaakt op de Zweden. ↑
° 3063 Zij: de Gooten. ↑
° hun: de Zweden. ↑
° 3064 Hredels drommen: de Gooten. In den tekst: de Hredlingen; Hredel zelf was immers gestorven. ↑
° 3068a dit ziet op de ontknooping. ↑
° 3069 hem: Ongentheow. ↑
° Wulf: Eofors broeder; beiden zijn Gooten. ↑
° 3074 Zoodra de Zwedenkoning Ongentheow zich omgekeerd had naar Wulf, die hem dezen slag had toegebracht. ↑
° 3075 zoon van Wanred: Wulf. ↑
° 3084 hun kunstwerk: der reuzen kunstwerk. ↑
° 3089 hun: aan de Gooten. ↑
°3090 Eofor beroofde Ongentheow.
Daar de strijd met de Franken en Friezen op verschillende plaatsen van het gedicht verhaald wordt, zullen wij hier al die gegevens samenvatten, ten einde door een duidelijk overzicht alle verwarring te voorkomen.
Oorlog met de Franken of Friezen.
Hygelac had over zee eenen strooptocht in Friesland gedaan; hij sneuvelde in den strijd en de Franken maakten zich van zijn kostbaar halskleinood meester. XIX.
Toen Hygelac in Friesland sneefde, ontsnapte Beowulf, met dertig schilden op den arm, door in ’t water te springen, nadat hij al zijne Frankische aanranders had verslagen. XXXIII.
Beowulf doodt den Frank Däghrefn met de vuist, zoodat deze in de onmogelijkheid gesteld wordt, om Beowulfs krijgssieraden aan den Franken- of Friezenkoning te brengen. XXXV.
Hygelac was met eene vloot naar Friesland gestevend, waar hij bezweek onder de overmacht der Franken. Sinds dien tijd bestond er vijandschap tusschen Gooten en Franken. XL.
Oorlog met de Zweden.
Deze barstte tweemaal uit, eerst bij den dood van Hredel, en later bij de opname van de Zweedsche ballingen door Heardred.
Eerste oorlog:
XXXV. Na Hredels dood breekt de oorlog met de Zweden uit. Ochter en Onela doen invallen bij Hreosnaberg. Dit wreken Hadcyn en Hygelac, ofschoon de eerste bij ’t Ravenbosch het leven laat. Hygelac wreekt op Ongentheow Hadcyns dood, doordat Eofor Ongentheow velt.
XL, XLI. Verhaal van den bode:
De Gooten onder Hadcyn hadden de Zweden aangevallen (3029). Ongentheow schonk aan Hadcyn den tegenslag, doodde hem en bevrijdde zijne eigen gade (3030 vlg.); hij zette de Gooten na (3036), die zich in het Ravenbosch verscholen (3038). Daar omsingelde hij hen (3039) en bedreigde hen den ganschen nacht (3041 vlg.). ’s Morgens daagt Hygelac op, om de Gooten te ontzetten (3045); een gevecht heeft plaats (3049 vlg.); Ongentheow moet wijken (3052) en trekt zich terug bij zijne verschansing (3060). De Gooten vervolgen hem (3061), maken zijnen standaard buit (3062) en trekken over de versterkte stelling, welke de Zweden verlaten hebben (3063). Zij brengen Ongentheow tot staan (3065). Wulf wondt Ongentheow (3069 vlg.), doch wordt door dezen buiten gevecht gesteld (3071 vlg.). Eofer, Wulfs broeder, doodt nu Ongentheow (3082 vlg.) en berooft hem van zijne wapenrusting (3090). Wulf wordt door zijne makkers opgericht en verbonden. De Zweden hadden het veld moeten ruimen.
Tweede oorlog:
XXXI. Heardred, zoon van Hygelac, valt in den oorlog met de Zweden, en Beowulf beklimt den troon.
XXXIII. Heardred ontvangt de zonen Ochters, Eánmund en Eádgils, die tegen Onela, koning der Zweden, waren opgestaan. Onela doet een inval in ’t land der Gooten en doodt Heardred; hij laat Beowulf den troon beklimmen.
Later, maar deze derde krijgstocht wordt slechts ter loops aangestipt, wreekt Beowulf Heardreds dood door Eádgils te ondersteunen, die Onela van ’t leven berooft. ↑
° 3096 de Gootenkoning: Hygelac. ↑
° 3099 honderd duizend. Vgl. v. 2252. ↑
°3101 Niemand schatte het loon te gering.
In de Noordsche sage wordt door Hrolf Kraki dezelfde belooning toegekend als hier door Hygelac. Bugge. ↑
°3104 met zijne dochter: Het is moeilijk aan te nemen, dat Hygelac, die gezegd wordt nog jong te zijn (Vgl. v. 2020), reeds eene huwbare dochter zou gehad hebben. Müllenhoff stelt te recht deze verzen op rekening van den inlasscher. Wanneer hij nochtans zegt, dat Hygelac en Beowulf van denzelfden leeftijd moeten zijn, dan kan ik hem geen gelijk geven. ↑
° 3112 die de dappre Schyldings behoedde enz. Dit vers slaat op Beowulfs tocht naar Hrodgar; de gedoode helden zijn Grendels slachtoffers. ↑
° 3115 ons thans te haasten: die aanbeveling van den bode komt wel wat laat. ↑
° 3116 branduitvaart: plechtige optocht naar den brandstapel. ↑
° 3118–22 de heele schat en niet een enkel deel ervan zal met hem op den brandstapel gelegd worden. Wij zullen later zien, dat de heele schat in den lijkheuvel begraven werd. ↑
° 3124–27 Perhaps a glee-maiden is maint, who, having lost her patron, is compelled to wander abroad. Thorpe. ↑
° 3129 de morgenklamme: vochtig na nachtelijke tochten. In andere woorden: Beowulfs dood zal oorlog na zich sleepen. ↑
° 3131–35 Hoogst dichterlijke, echt Noordsche beschrijving. ↑
° 3136 de koene strijder: de bode. Vgl. 2994 vlg. ↑
° 3003–3137 Müllenhoff ziet er het werk van den interpolator in. ↑
° 3137 Er brak derhalve oorlog uit na Beowulfs dood. Om dit te beweren, moet de dichter het oog gehad hebben op epische liederen. ↑
° 3139 aargebergte: adelaarsgebergte, Earna-naes, in ’t land der Gooten; het is weer eene dichterlijke benaming, volgens Bugge. onder: aan den voet. ↑
° 3146–47 zeldzamer schouwspel: dan dat van den gesneuvelden vorst. ↑
° 3152 ’t genot der luchten: genotvolle lucht. ↑
° 3156–57 Dit moeten de door Wiglaf gehaalde kostbaarheden zijn, want het lijk van den draak lag buiten de schatkamer, daar de kamp vóór den ingang had plaats gegrepen. Vgl. 3213 vlg. ↑
° 3159 duizend winters: niet letterlijk op te vatten, daar de draak er slechts 300 jaar gehuisvest was; duizend wordt hier overdrachtelijk gebezigd voor een onbepaald groot aantal jaren. ↑
° 3160 Alstoen: toen de schat in den grond geborgen werd. Vgl. v. 2290. Dat er een vloek op het goud rust, zien wij ook in de Nibelungen. ↑