← Table of contents
Beówulf

Editorial note — IV.

Lion Simons translation

° 193 de zoon van Healfdeen: Hrodgar. ↑

° 198 Higelaces leenman: Beowulf, de Goot. Hier treedt voor het eerst en zonder verband met het voorafgaande de held van het epos op. ↑

° 199 de Gooten. Vgl. Inleiding. ↑

°206 Zij rieden het hem sterk aan (litotes.) Cosijn.

Higelac nochtans trachtte te vergeefs zijnen neef te doen blijven Vgl. v. 2047. ↑

° 208 gewenschte teekens: Auspicia sortesque ut qui maxime observant Tacitus. Germ. 10. ↑

° 212 Een kampheld: hij geleidde hen naar het strand. ↑

° 216 Het was hoog tij. ↑

° 220 gebonden kiel: beslagen kiel. ↑

° 223 De overtocht had dus 24 uren geduurd, hetgeen zich met de beide veronderstellingen omtrent de woonplaats der Gooten laat overeenbrengen, hetzij de reis van het zuidelijkste punt van Zweden naar Jutland, ofwel van Jutland naar Roeskilde uitgaat. ↑

° 228 Wederlieden: Gooten. ↑

° 246 Ofschoon de strooptochten der Noordsche wikings of zeekoningen zich eerst in de 9de en 10de eeuw op eene groote schaal uitbreidden, hadden de Germanen toch van oudsher zeeroof gepleegd. Tacitus zegt: Latrocinia nullam habent infamiam quae extra fines cujusque civitatis fiunt. Ons gedicht bewijst het te over. Vandaar de Deensche kustwachter alhier en de havenhoeder bij de Gooten. Vgl. v. 1961. ↑

° 252 uwer een: Beowulf. ↑

° 253 huisman: in tegenstelling met edelman. Angs. seld-guma. seld-guma ist hier offenbar der gemeine Mann, der nur ein seld besitzt, im gegensatze zu dem edlen, der einen hof zu eigen hat. Socin. ↑

Return to IV.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings