Editorial note — XXXVI.
Lion Simons translation
°2682 een vorst der Schilfings: der Zweden.
Müllenhoff veronderstelt, dat Wiglaf lang bij de Zweden had geleefd en in hoog aanzien gestaan, doch daarna tot de Gooten overging, toen Beowulf, die inmiddels koning was geworden, hem het oude erfgoed der Waegmundings afstond, dat hij Weohstan had laten behouden. ↑
° 2687 Waegmundings: eene Zweedsche koningsfamilie, waaraan Beowulf ook verwant was. ↑
°2688 volksbezit: bezit en rechten der gezamenlijke krijgsschaar.
Beowulf had het erfgoed der Waegmundings na den dood van Weohstan ook voor zich kunnen houden, daar Weohstan deelgenomen had aan den inval van Onela in ’t Gootenland en zelfs Eánmund had gedood. ↑
° 2693 vreugdeloozen zwerver: Eánmund en Eádgils waren bannelingen. Vgl. v. 2447. ↑
° 2695 aan diens verwanten: aan Onela, oom van Eánmund. ↑
° 2698 hem: Weohstan. ↑
°2702 hij: Weohstan.
Ziehier hoe ik mij de toedracht der zaken voorstel:
Weohstan heeft Eánmund gedood en geeft zijne spolia, drie in getal, aan Onela, den oom des gesneuvelden. Doch deze geeft ze aan Weohstan terug en verwijt hem zelfs niet den dood van Eánmund, den zoon van Ochter, zijnen broeder.
Weohstan behoudt nu de wapenrusting gedurende vele jaren en schenkt ze aan Wiglaf, als deze volwassen is.
Onela oefende dus geene bloedwraak uit, waartoe hij nochtans verplicht was, afgezien van zijne verhouding tot den gedoode. Een blijk van edelmoedigheid. ↑
° 2708 voor dezen jongen kamper: Wiglaf. ↑
° 2715–19. Exigunt enim a principis sui liberalitate..... illam cruentem victricemque frameam. Tacitus, Germ. 14. ↑
° 2732–34 Ik zou liever met mijnen koning sterven, dan hem te overleven. ↑
° 2738–40 Door zijne vroegere heldenfeiten, waardoor hij altijd de anderen te hulp kwam, heeft hij dit niet verdiend nl. alleen van ons twaalf te sterven. ↑
°2713–42 Müllenhoff beschouwt deze eerste toespraak van Wiglaf als onecht. Het oogenblik is weinig geschikt om eene lange redevoering te houden, vooral met het oog op v. 2730–31. Buitendien schijnt de dichter vergeten te hebben, dat de tien mannen de vlucht hadden genomen. Vgl. 2675 vlg.
Bugge wijst er nochtans op, dat deze toespraak veel overeenkomst heeft met de woorden, welke in de Noordsche sage van Hrolf kraki aan Hjalti in den mond worden gelegd en welke Saxo in ’t Latijn weergeeft.
De zaak is licht verklaarbaar, indien men volgens het stelsel van ten Brink verscheiden oorspronkelijke varianten aanneemt. ↑
° 2741–43 Wij beiden zullen te zamen strijden. ↑
° 2744 strijdhoofd: dichterlijke benaming voor helm. ↑
° 2756 Wiglafs schild was van lindenhout. Vgl. v. 2690. ↑
° 2778 Hij: Beowulf. ↑