← Table of contents
Beówulf

Editorial note — XXXV.

Lion Simons translation

° 2530 een rouwlied: de dichtkunst werd dikwijls als het beste middel beschouwd, om de smart over het verlies van eenen zoon te verlichten. ↑

° 2531 de eene om den eene: Hredel om Herebald. ↑

° 2532 te ruim: wegens de schande, dat zijn zoon ongewroken moet blijven, verbergt hij zich in de engste schuilhoeken. ↑

° 2537 al was hem die niet dierbaar: hij beminde Hadcyn niet meer. ↑

° 2540 den zonen: Hadcyn en Hygelac. ↑

° 2546 kroost van Ongentheow: Onela en Ochter. ↑

° 2549 bij Hreosnaberg: voorgebergte in ’t land der Gooten; volgens Bugge eene dichterlijke, geene aardrijkskundige benaming. ↑

° 2550 mijn verwante vrienden: de neven, Hadcyn en Hygelac. ↑

° 2556 een maag: Hygelac. ↑

°den andren: Hadcyn.

De zin is: ik vernam dat Hygelac zijnen broeder Hadcyn op den moordenaar, Ongentheow, wreekte, doordat Eofor, de krijgsman van Hygelac, Ongentheow doodde.

Hygelac, de koning, vertegenwoordigt zijne mannen, zooals wij meer dan eens gezien hebben. ↑

° 2558 de grijze Schilfing: Ongentheow. ↑

°2560 de hand: van Eofor.

In deze verzen hebben wij het beknopt verhaal van den oorlog met de Zweden na Hredels dood. In XLI, waarheen wij verwijzen, worden dezelfde geschiedkundige gebeurtenissen, doch in bijzonderheden behandeld. ↑

° 2566 de Gifden: de Gepiden; worden ook in Widsidh genoemd. ↑

° 2568 een zwakker kampgezel: dan ik, Beowulf. ↑

°2574 der Hugen: een Frankische stam; Ettmüller ziet er de Chauci in.

Hier wordt voor den derden keer op de Franken of Friezen gewezen. ↑

° 2575–76 Daghrefn, een krijger der Hugen, waarschijnlijk Hygelacs dooder, gelukte er niet in, Beowulf te verslaan en den hem ontnomen krijgsroof aan den Friezenkoning te brengen. ↑

° 2495–2581 Voor Müllenhoff is heel deze plaats later bijgevoegd. ↑

°2582–86 Ettmüller strijkt deze verzen, daar zij slechts herhalen wat Beowulf boven (2495–96) gezegd heeft. Buitendien spreekt Beowulf hier niet voor het laatste, zooals aanstonds zal blijken.

Ettmüller ziet er het bewijs in, dat ons gedicht uit afzonderlijke liederen is samengesteld geworden, een stelsel dat B. Ten Brink later heeft uitgebreid. ↑

° 2592 mijn kampwoord: Vgl. v. 2580 vlg. ↑

° 2600 Heidendom en Christendom. ↑

° 2615 op de sterkte van een enkle: op zijne eigen sterkte. ↑

° 2623 bij den buit: bij het hol, waar de schatten verborgen zijn. ↑

° 2628 In zijnen toorn vergeet hij, dat hij van alle uitdagingswoorden wilde afzien. Vgl. v. 2601 vlg. ↑

°2647–49 Het opzettelijk tot dit gevecht vervaardigde stalen schild verleende hem geene voldoende bescherming.

Het was nochtans niet verbrand. Vgl. v. 2759 vlg. ↑

°2650–52 Hij zou voor het eerst vreemde hulp noodig hebben, hetgeen hen nog nooit overkomen was.

Anders Socin: «er muste zum ersten Male den Feind im Schwertkampfe angreifen, in dem ihm das Geschick den Sieg versagte». Vgl. in voce môtan.

Alsof hij Grendels moeder niet met het blanke wapen, eerst Hrunting en later het reuzenzwaard, had aangetast! ↑

°2656 minder hevig beet het: het drong in ’t geheel niet door. (litotes.) Dit wordt 2663 nog eens herhaald. Later zullen we zien, dat Nageling, Beowulfs zwaard, aan stukken springt. Vgl. v. 2765. ↑

° 2666 Zijne stelling: het terrein vóór de schatkamer. Beowulf had zich wegens het vuur alleen aan den ingang gewaagd. Vgl. 2633. ↑

° 2667 Naar elders: hij moest sterven. ↑

°2674 die eerst het volk bestuurde: Beowulf.

Cosijn verklaart: die nu van zijn volk verlaten was; immers zijne makkers sloegen op de vlucht. ↑

° 2679–80. Bij een edeldenkend man kan niets de stem des bloeds tot zwijgen brengen. ↑

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings