Editorial note — XXXI.
Lion Simons translation
° 2206–7 Nu dien ik u weer alleen, als vroeger, en geenen vreemden koning meer. ↑
° 2208 tenzij U, Hyglac: Als eene halve eeuw later Beowulf zal sterven, blijft nog alleen Wiglaf over van den stam der Waegmundings, waartoe Beowulf behoort. Vgl. v. 2910 vlg. ↑
°2210 de hoofdbanier: voornaamste banier; zij was bekroond met een everkop.
De geschenken, welke hier aan Hygelac worden aangeboden, zijn dezelfde, welke aan Beowulf v. 1034–54 door Hrodgar werden gegeven. ↑
° 2216 Heorogar: Hrodgars oudste broeder, die reeds lang dood was. Vgl. v. 471. ↑
° 2221 op ’t voetspoor: onmiddellijk hierop. ↑
°2229 den halsring: Wij hebben gezien, hoe later dit prachtig juweel door den dood van Hygelac in het bezit der Franken geraakte. Vgl. v. 1222 vlg.
Hygd moet het dus aan Hygelac afgestaan hebben. ↑
° 2236–40 Toespeling op Heremod. ↑
°2234–47a Müllenhoff beschouwt deze verzen, welke den gang van het verhaal stremmen, als een invoegsel, vooral met het oog op de hem hier toegeschreven onmannelijke jeugd.
Immers wat wordt er dan van zijnen wedstrijd met Brecca, dien hij als knaap ondernam, en van zijne eigen woorden «Menig roemvol waagstuk bestond ik in mijn jeugd» v. 409? ↑
° 2252 een landmaat: volgens Bugge de hid d. i. een halve vierkante meter. ↑
° 2256 den tweede: Hygelac. Hij volgde zijnen broeder Hadcyn op en had dus meer aanspraken op den troon dan Beowulf, welke slechts de neef was. ↑
°2258 Hier eindigt het eerste gedeelte van het epos; de kamp met den draak, welke het onderwerp van het tweede gedeelte uitmaakt, heeft ten minste eene halve eeuw later plaats, daar Beowulf reeds vijftig jaar over de Gooten heerscht.
Volgens Müllenhoff zijn de verzen 2258–2465 het werk van B, om de twee deelen aan elkaar te verbinden. ↑
° bij de strijdonstuimen: bij de Gooten. ↑
° 2260 Heardred: de zoon van Hygelac, 3de naamval. ↑
°2261 de Schilfings: Zweden, het zijn hier de zonen van Ochter, den koning der Zweden.
Men verwarre niet de Schilfings (Zweden) met de Schyldings (Denen). ↑
° 2263 zijn zegevolk: de Gooten. ↑
°2264 Den neef van Hererik: Heardred; deze naam komt maar eens voor.
De zin is: Nadat Hygelac gesneuveld was en zijn zoon Heardred, die hem opvolgde, op zijne beurt was gevallen bij eenen inval, welken de Zweden in het land der Gooten hadden gedaan, beklom Beowulf den troon. Hier hebben wij de eerste toespeling op den krijg met de Zweden; er wordt nog driemaal XXXIII, XXXV, XL–XLI op teruggekomen.
In XXXIII worden nadere bijzonderheden gegeven over hetgeen hier slechts ter loops is aangestipt. ↑
° 2266 wel vijftig winters: Beowulf was dus meer dan honderd jaar oud toen hij stierf. Immers hij had de vijftig achter den rug toen hij Grendel doodde (Vgl. v. 373 nota) en het was slechts in later dagen, (v. 2259) dat hij den troon beklom. Men kan zonder overdrijving zijnen ouderdom op 120 jaar aanslaan. ↑
° 2273 des heidens: de eenzame edelman. Vgl. v. 2338. ↑
° 2274–78 vertaald naar Bugges aanvulling, daar de tekst op eenige letters na is verloren gegaan. ↑