← Table of contents
Beówulf

Editorial note — XXX.

Lion Simons translation

° 2085 den heer der Headobarden: Ingeld. ↑

° 2087 met zijne gade: Freaware, Hrodgars dochter; de zaal is Heorot. ↑

° 2088–89 Een der edelen was belast met het bier in te schenken. Vgl. v. 501. ↑

° 2090 des vaders heertuig: de kamptooi van Froda, Ingelds vader. ↑

° 2096 een grijze lansheld; een krijgsman der Headobarden; zijn naam wordt niet vermeld evenmin als die van Froda’s dooder en den Deenschen hofjonker. ↑

° 2099 des jongen krijgerkonings: Ingeld. ↑

° 2115 de dienaar van de vrouwe: de jonge Deen, welke aan Freaware tot hofjonker werd gegeven. ↑

°2116 de tweede: de moordenaar van den jongen Deen.

Zou het misschien de grijze lansheld zijn geweest? ↑

°2119–20 De zucht om zijnen vader en zijn volk te wreken legt het zwijgen op aan zijne liefde tot Freaware, zijne Deensche gade.

Voorwaar een echt dramatische toestand! ↑

°2121b–23 Dat Beowulfs voorspelling zich bewaarheid heeft, hebben wij reeds uit meer dan eene toespeling gezien. Hoe deze strijd afgeloopen is, weten wij buitendien uit Widsidh, waar gezegd wordt, dat de Headobarden door Hrodgar en Hrodwulf in Heorot verslagen werden.

Dat er afzonderlijke liederen bestaan hebben over den krijg met de Headobarden is aan geenen twijfel onderhevig.

Immers Müllenhoff toont ons een overeenkomstig verhaal bij den Deenschen schrijver Saxo Grammaticus omtrent Frotho, den vader van Ingellus. Saxo deelt zelfs de Latijnsche vertaling mede van twee liederen uit de 10de eeuw, die in hoofdzaak hetzelfde verhaal ophangen van eenen ouden strijder, Starcatherus geheeten, die Ingellus tot wraak aanzet.

Ziedaar een afdoend bewijs voor het ontstaan van het volksepos uit afzonderlijke epische liederen.

Müllenhoff schrijft de Headobarden-episode (v. 2085–2120a) aan inlasscher B toe.

Hij ziet in de Headobarden niet de Longobarden, maar een volk, dat tot de Herulers behoorde.

Het zijn de bewoners van Seeland, die op het einde der 5de of in ’t begin der 6de eeuw door de Denen werden verdrongen; immers Jordanes bericht, dat de Denen van uit Scandinavië (Schonen) afzakkende de Herulers uit hun land verdreven.

Müllenhoff veronderstelt diensvolgens, dat beide volken een tijdlang hebben samengeleefd, zoodat Ingeld als zelfstandig koning naast Hrodgar kan optreden.

Ons epos herinnert hier dus een feit van overwegend belang, nl. de grondvesting van het Deensche rijk. Much neemt deze verklaring aan. ↑

° 2127 ’t juweel der transen: de zon. ↑

° 2131 Hondsció Vgl. 756, 1067. ↑

° 2140 een handschoen: eene nieuwe bijzonderheid. ↑

° 2150 uw volk: stam. Dit was de hoogste eenheid bij de Germanen, zij kenden geen volk of natie in de tegenwoordige beteekenis van het woord. Het eenige verband tusschen verschillende stammen was alleen van godsdienstigen aard b. v. de Ingaevonen. ↑

° 2162–66 Müllenhoff zet deze verzen op rekening van den nadichter. Inderdaad dat Hrodgar de harp bespeelt, mag wel wat verwondering baren, vooral nu wij gezien hebben, dat niet hij maar zijn zanger de Finn-episode voordroeg. ↑

° 2167–70 Deze weemoedige stemming bij het terugdenken aan de vroegere heldenkracht is een kenmerkende trek van het gedicht. Vgl. v. 1934. ↑

° 2172 den ganschen dag: diem noctemque continuare potando nulli probrum. Tacitus, Germ. 22. ↑

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings