Editorial note — XXVI.
Lion Simons translation
°1781 helmbeschutsel: ofschoon hij zich tegen het kwaad wil verzetten.
Müllenhoff oppert de meening, dat de nadichter den brief aan de Ephesiërs voor oogen heeft gehad: In omnibus sumentes scutum fidei, in quo possitis omnia tela nequissimi ignea extinguere. Eph. 6, 16. ↑
° 1783 des boozen geestes: de bekoring. ↑
°1785 uit praalzin: hij schenkt geene gouden ringen meer, zooals hij eerst uit praalzin deed.
Dit is een Germaansche trek, welke onder deze christelijke denkbeelden ingeslopen is. ↑
° 1787–88 Hij verwaarloost zijn eeuwig heil, omdat hij door hoogmoed verblind is. ’t Is het oude thema: quos perdere vult Jupiter, dementat. ↑
° 1796 eeuwigdurend welzijn: het eeuwig heil. ↑
° 1803b–4 door de tooverkunsten van het kwade oog. ↑
° 1732b–1805 Müllenhoff schrijft deze verzen aan den interpolator B toe, die zijne bedrevenheid in de Godgeleerdheid en zijne kennis der sagen pleegt ten toon te spreiden. Het eerste gedeelte der toespraak (1732–1805) is eene preek in den mond van den heidenschen Hrodgar; het tweede gedeelte integendeel, dat met v. 1806 begint, is geheel en al in overeenstemming met het verhaal. ↑
°1812–13 Te veel voorspoed haalt onspoed binnen; zoo dachten de oude Grieken er ook over.
Omgekeerd zien wij vele jongelieden, die in hunne jeugd geene verwachtingen van zich lieten koesteren, zich later boven alle anderen onderscheiden.
Dit was het geval met Scyld (v. 6 vlg.) en vooral met Beowulf. (v. 2241 vlg.)
Zulke vadsige en stompzinnige jongelingen, die later door bovenmenschelijke krachten uitblonken, droegen in het Noorden den eigenaardigen naam van kolenbijters (kolbitar), omdat zij den ganschen dag bij het vuur in de asch zaten gedoken. ↑
° 1819 het hoofd: van Grendel. ↑
° 1825 zijn zetel zoeken: op den tegenovergestelden bankvloer. ↑
° 1837 de zeeliên: de Gooten. ↑
° 1841 de donkre raaf: speelt eene groote rol in de Germaansche wereld; wij zien hier, dat de raaf den dag aankondigt. Wodan is door twee raven vergezeld: Hugin (gedachte) en Munin (herinnering). ↑
° 1849 Ecglafs zoon: Hunferd. ↑
°1853 ’t was een moedig strijder: nl. Beowulf.
Volgens Müllenhoff is hier Hunferd gemeend; doch waar blijven dan de afkeurende woorden van vroeger: «hier ging zijn roem te loor»? Vgl. v. 1498. ↑
°1855 de heerscher: Beowulf.
Müllenhoff werpt 1848–53 uit, omdat bij Beowulfs terugkeer uit de diepte niet gezegd wordt, dat hij ook Hunferds zwaard medebracht. Vgl. 1645 vlg.
Bij Wealchtheows verdwijning uit Heorot en bij Beowulfs kamp op den bodem van het meer hebben wij reeds op deze al te strenge methode gewezen. ↑