Editorial note — II.
Lion Simons translation
° 56 Schyld was gestorven. ↑
° 63 Ongentheow: is eene gissing, daar het handschrift hier eene leemte vertoont. ↑
°64 Schilfing: Zweed.
Ettmüller merkt te recht aan, dat deze inleiding de afstamming behelst van den Deenschen koning Hrodgar en niet, zooals het diende, van Beowulf den Goot, die nochtans de held van ’t epos is. Een bewijs, onder meer andere, dat dit gedeelte later bijgevoegd is. ↑
° 66 zijn dierbre magen: quodque praecipuum fortitudinis incitamentum est, non casus nec fortuita conglobatio turmam aut cuneum facit, sed familiae et propinquitates. Tacitus, Germania, 7. ↑
° 73–74 uitgezonderd de Koningsmacht? De regel «is ten eenenmale onbegrijpelijk. Berust hij op een toespeling door een recitator ingelascht, is ze dus een hatelijkheid op een Anglisch vorst, die zijn legermacht dunde door ze onder de vaandels van een ander vorst, en niet tot verdediging van zijn land, te doen strijden, dan kan alleen de historie hier licht geven.» Cosijn. Ook werpt hij het vers uit, evenals Ettmüller. ↑
° 82 met hoornen voorzien: met hertegewei, dat den gevel bekroonde. Vandaar de naam Heort of Heorot. ↑
° 83–86 Hier wordt gezinspeeld op gebeurtenissen, die niet in het gedicht behandeld worden, maar die het onderwerp moesten uitmaken van afzonderlijke zangen: den brand van Heorot, en de vijandschap tusschen Hrodgar en zijnen schoonzoon Ingeld, den vorst der Headobarden. Vgl. v. 800 en vooral XXX. ↑
° 90b–103a Ingelaschte verzen, volgens Müllenhofs indeeling, terwijl Ettmüller minder juist ook 103b–106 verwerpt. ↑
° 107–118 Ingeschoven plaats. ↑
° 115–118 Joodsche voorstelling, volgens welke alle gedrochten van Kaïn afstammen, gevolgd door eene herinnering aan de klassieke oudheid. Vgl. v. 1283 vlg. ↑