Editorial note — XVIII.
Lion Simons translation
° 1139–41. De verzoende Friezen en Denen gingen, beroofd van hunne gesneuvelde vrienden, naar Friesland en Finns Koningsburcht terug. Bij gevolg moet de Finsburg, waar de in ’t vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen hebben plaats gehad, niet in het eigenlijke Friesland, maar in eene aan de Friezen onderworpen naburige streek gelegen zijn. ↑
° 1143 in alles een: in de beste verstandhouding, ten minste in schijn. ↑
° 1152–56. Met de aankomst der lente was de zee bevaarbaar, derhalve wenschte Hengest naar Denemarken terug te keeren. Nochtans was hij nog meer verlangend zich op de Friezen in een gevecht te wreken. ↑
°1157–60 Om zijn tweevoudig doel te bereiken, weigerde Hengest niet, zich voor eenen dienstman van Finn te verklaren.
Dit geschiedde, volgens Bugge, door de hier vermelde zinnebeeldige handeling, namelijk door Lafing, het zwaard des Konings, dat hem door Hun wordt aangeboden, voor een oogenblik ter hand te nemen.
Hun, de bondgenoot van Finn, is volgens Widsidh de Koning der Hettuarische Franken. Evenals later de Hetwaren met de Friezen verbonden tegen Hygelac optreden, welke een inval in Friesland gedaan heeft (Vgl. 2420 vlg.), zoo verschijnt hier Hun aan het hof van Finn.
Bugge vermoedt, dat Hun hier zooveel als een onderkoning van Finn is, evenals Hnäf, die toch zelf koning geheeten wordt, Heal’deens veldheer was. ↑
° 1163 Gudlaf en Oslaf: twee Deensche krijgers, welke ook in ’t Finsburglied te zamen vermeld worden. ↑
° na de golfvaart: zij waren teruggekeerd uit Denemarken. ↑
°1161–67. Bugge stelt zich de toedracht der zaak volgenderwijze voor:
Als dienstman van Finn is Hengest verplicht, den Koning geschenken aan te bieden. Hij begeeft zich diensvolgens naar Denemarken en keert daarop terug met versterking, waaronder Gudlaf en Oslaf.
Hengest had waarschijnlijk bevolen, Finn voorloopig in alles te gehoorzamen; doch Gudlaf en Oslaf konden deze geveinsde rol niet lang volhouden en zij verweten aan Finn, dat hij de Denen overvallen en Hnäf verraderlijk gedood had.
Zoo werd de ontknooping bespoedigd.
Wat eene andere, even aanneembare, verklaring betreft, verwijs ik naar de Aanmerkingen.
Die van ten Brink laat ik onbesproken, omdat zij verscheiden tekstwijzigingen met zich brengt. ↑
° 1175 de edelvrouwe: Hildeburg. ↑
°1181 Oom en broederzoon: Hrodgar en Hrodulf.
Deze laatste was waarschijnlijk de zoon van Halga, Hrodgars jongsten broeder. Vgl. 62. ↑
° 1182 Vgl. 1032 Nota. ↑
° 1186–87 Vgl. v. 598. Alweer eene vingerwijzing op de epische sagen, want uit het gedicht blijkt niets naders omtrent Hunferds laakbare daad. ↑
° 1196 den held: Beowulf. ↑
° 1198 uw zonen: Hredric en Hrodmund. ↑
° 1200 christelijke opvatting. ↑
° 1201–3 Hieruit blijkt, dat Hrodulf Hrodgars mederegent was. ↑
° 1210 daar: tegenover Hrodgar. ↑