Note 1112 — XVII.
Lion Simons translation
–15 dien der Denen. ↑
° 1120 het glanzend goud: waarmede Finn volgens v. 1103 vlg. de Friezen en de Denen moest beschenken. ↑
° de koenste wapenkrijger: Hnäf. ↑
° 1122–24 sua cuique arma... igni.. adjicitur. Tac. Germ. 27. ↑
° 1127 op ’s broeders brandmijt: de tekst heeft: op Hnäfs brandmijt. ↑
° 1130 bij den schouder: van Hnäf. ↑
° 1133 heuvel: grafheuvel. ↑
°1137 beide stammen: Friezen en Denen.
Geven wij hier duidelijkheidshalve een overzicht:
Finn, de koning der Friezen, heeft de Half-Denen of Denen, hetgeen op hetzelfde neerkomt, des nachts verraderlijk overrompeld in Finsburg. De vorst der Half-Denen, Hnäf, bevelhebber van den Deenschen koning, en broeder van Hildeburg, is er gesneuveld met vele helden.
Hildeburg, de Deensche gemalin van Finn, betreurt bij het aanbreken van den morgen den dood harer Deensche bloedverwanten.
Daar de meeste Friezen bij den aanval op Finsburg zijn gesneuveld, is Finn niet meer bij machte om de overgebleven Denen te vernietigen. Hij onderhandelt bij gevolg met Hengest, opvolger van Hnäf als bevelhebber, en een vredesverdrag komt tot stand.
Voorwaarden: De Denen verkrijgen evenveel rechten als de Friezen, worden gehuisvest en zullen met de gebruikelijke geschenken bedeeld worden door Finn, dien zij als koning erkennen. De geschillen zullen door de raadslieden worden bijgelegd.
Mocht een Fries zinspelen op de vroegere vijandschap, hij zal dit met het leven boeten.
Dit verdrag wordt bezworen, en Finn deelt de koningsgaven uit aan beide stammen.
Daarna wordt een groote brandstapel opgericht, waarop het lijk van Hnäf met de gesneuvelde vrienden en vijanden verbrand wordt, terwijl Hildeburg den gebruikelijken klaagzang aanheft. ↑