Note 1 — DERDE HOOFDSTUK.
Reading edition
Nog vóór er iets van den dageraad te zien is, wordt zijn nadering reeds door het scherper en fijner waarnemingsvermogen van de kleine pitta (Cephalopterus ornatus)1 bespeurd. Eer nog de oostelijke hemel begint te bleeken rept zich het woelig diertje aan den zoom der wildernis en wekt alle slapers met zijn scherp, vragend fluiten. Het ruikt de zon, zooals de geest van Hamlet’s vader de morgenlucht. Zijn toonzetting van het „Slapers, ontwaakt” echoot door de stilte in scherpe, afgebroken klanken. Zelden hoort men hem midden op den dag, maar ’s avonds in de schemering en nog zeer laat doet hij zich opnieuw hooren.