Note 1 — DERDE HOOFDSTUK.
Reading edition
Laura was een ondeugend kind. En evenals Topsy1 erkende zij haar ondeugendheid, maar deed nooit eenige moeite zich te verbeteren. Er was een aanzienlijke hoeveelheid melk verdwenen uit een emmer en haar meesteres vroeg haar: „Heb je van de melk gedronken, Laura?” „Nee Missis, mij niet drink hem.” Maar de dikke snor van room boven haar lip verklapte haar. Laura diende in een rustig huis, zonder kinderen en waar weinig vaatwerk te wasschen viel. Niet ver daar vandaan was het Staatsweeshuis en iederen dag kwamen de weezen twee aan twee op weg naar school aan haar voorbij. Eens zeide zij, met afwezigen blik naar den optocht kijkend: „Missis, mij niet graag wasschen vaat voor dat kerels.”—Laura werd geregeld naar de zondagschool gezonden, waar zij zich steeds ingetogen en zedig gedroeg en door haar natuurlijke geslepenheid talrijke kaartjes voor goed gedrag verdiende. Eens werd zij er betrapt op het volgende gebed: „Och Mister God, maak missis sterk vrouw, maak missis goed vrouw.”—Zij was ziek en haar meesteres drong er op aan dat zij wonderolie zou innemen, wat zij weigerde te doen. Eindelijk dreigde haar meesteres: „Goed Laura, als je geen medicijn wilt innemen ga ik naar den doctor.” En zij: „Nee, nee, missis, mij zelf doodgaan.”