Note 1 — Ik zal op u wachten.
C. Baarslag translation · Edition 2
Evenzoo ging het voort. Beatrice legde het blad met een zegevierenden glimlach neder. Geoffrey’s roem was gevestigd. De geheele lange reis door, streelde zij haar verbeelding door zich het eene beeld voor, het andere na voor den geest te roepen van die toekomst, waaraan zij geen deel zou hebben. Maar hij zou haar toch niet vergeten; daar was zij zeker van. Haar herinnering zou hem tot het einde van zijn leven bijblijven, en soms zou hij denken hoe trotsch zij zijn zou, als zij getuige van zijn zegepralen had kunnen zijn. Ach, zij bedacht niet dat, wanneer alles verloren is wat het leven schoon kan maken, wanneer de zon voor ons ondergegaan is en het duister in onze ziel is geworden, de glans van onze kleine zegepralen slechts den verdwenen luister kan vergoeden! Geluk en tevredenheid zijn teere planten, die licht en lucht moeten hebben om te kunnen bloeien. Zij gedijen niet in donkere schaduwen, en als het hart dood is, kunnen geen zegepralen, hoe schitterend ook, tegen het onherstelbaar verlies opwegen. Het arme meisje vermoedde niet dat Geoffrey, in de jaren, die komen zouden, gaarne al zijn roem en onderscheiding gegeven zou hebben voor één maand van haar dierbare, onvergetelijke tegenwoordigheid. Zij had een te geringen dunk van zichzelve; zij dacht niet dat een man aldus op de liefde van een vrouw prijs kon stellen, en hield het voor een uitgemaakte zaak dat tegenover zijn streven, om het doel zijner eerzucht te bereiken, zulk een schat als Beatrice Geoffrey geschonken had, niets beteekende. Dit was de wagen van Jaggernaut1 op zijn loopbaan, waaraan Beatrice haar leven ten offer wilde brengen, niet wetende dat daardoor al de eer en onderscheiding, die hij reeds zoo weinig telde, bitterheid en asch moest worden.