Note 2 — VI. Een echtpaar.
Reading edition
Die klapper-aanplant vormde als het ware den voorhof van de dèsa; want zij zelve lag verscholen in een waar boschje van ooftboomen, waarin de heerlijkste „manga’s,” de lekkerste „ramboetan’s,” de rinschste „assam’s,” de saprijkste „bliembieng’s,” de geurigste „djeroek’s” en de meest verfrisschende „djamboe’s”2 en nog zooveel andere gaven van de intertropische Pomona, in vele verscheidenheden vertegenwoordigd waren. Hier en daar stoffeerde struikgewas als ware sierplanten de ruimten tusschen de hutten en de boomen en vervulden de „katja-piring’s,” de „kembang mantega,” de „melattie’s,” de „poekoel-ampat,” de „kemoening,” de „kembang spatoe,” de „patra kombala”3 en zooveel andere bloemsoorten, de lucht met hare liefelijke geuren, of streelden het oog met hare schitterende, maar aangename verscheidenheid van kleuren.