Note 5 — VI. Een echtpaar.
Reading edition
Bij het binnenkomen van de pandoppo kruisten zich de Chinees met het Javaansche wijf. Geen hunner scheen den andere te kennen. Toch zweefde een glimlach op de lippen van den babah. Voor ieder ander dan voor ’Mbok Karjå was het de stereotype lach, welke op het gele gelaat van iederen zoon van het Hemelsche Rijk zetelt, die in tegenwoordigheid van machthebbenden toegelaten wordt. Voor het oude wijf was die glimlach evenwel eene tevredenheidsbetuiging. Voorgegaan door den bediende, trad zij de binnengalerij binnen en verdween in de slaapkamer van de njonja, terwijl de Chinees den resident naderde, die behagelijk in een wipstoel zat te wiegelen, waar vlak naast de pajoengstandaard stond, die den Grooten Heer met den stralenkrans van zijne meervoudige zonneschermen omgaf5.