← Table of contents
Baboe Dalima

Note 2 — XLII. Naar en in de Goewah Temon.—Besluit.

Reading edition

Anna vermeed daar in de diepte aan hare voeten, waar de watermassa in woedende golven kookte en bruiste, te kijken. Zij vreesde haren moed te voelen ontzinken, als het wichtige oogenblik mocht aanbreken. Zij keek maar liever daar ver, zeer ver aan den horizon. Daar nagenoeg zuiver ten Westen werd Noesa Kembangan ontwaard, dat fraaie, heuvelachtige eiland, hetwelk zich met zijn weelderigen plantengroei op den afstand, van waar het jonge meisje er naar tuurde, als een bloemenmand op de watervlakte drijvende, vertoonde. Zij zag daar den vuurtoren, welke zich op den Tjimering-heuvel2 verhief, en door zijne witte kleur zeer tegen de blauwe lucht afstak; zoodat hij zich als een smalle, rechtstandige wolkenzuil vertoonde. Hier en daar was het oppervlak der zee gespikkeld met blanke zeilen, die haar bevallig stoffeerden, alsof groote, witte watervogels er op dartelden. En even of het toeval die gelijkenis wilde bekrachtigen, kwam er een zwerm steltloopers voorbij gevlogen, die als een mat-witten band op het azuur des hemels vormden en krijschend naar het Westen vlogen, waarschijnlijk om de vischrijke moerassen, die de Kinderzee omgeven, een bezoek te brengen. Die snelle vlucht legde eene weemoedige gedachte in Anna’s hart.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings