Note 4 — XLI. De ketjoe’s te Soeka maniesan.—Eene ontzettende terechtstelling.
Reading edition
Hij en Van Gulpendam, vergezeld van den opziener, stapten naar buiten, terwijl de dames zich naar hunne slaapvertrekken begaven. Zooals gezegd is, was het zacht en kalm weêr. De beide blanken wandelden rond, maar bespeurden niets verdachts. Door de frissche nachtlucht verlokt, strekten zij hunne wandeling verder uit, dan oorspronkelijk hun plan was geweest. Zij waren naar buiten getreden, en wandelden nu in een paar rietvelden rond, die aan het erf der fabriek paalden, en waarvan de rietstekken gedeeltelijk geoogst waren. Het gekapte riet was reeds naar de fabriek vervoerd; maar over een groote uitgestrektheid stonden de stengels nog overeind en wachtten op de hand der arbeiders. Op de ontruimde gedeelten van de velden lagen hier en daar groote hoopen „dagoe” (droge bladeren), die van de geoogste stengels afgesneden en bestemd waren, om ook naar de fabriek vervoerd te worden; ten einde daar als brandstof gebezigd te worden. De eigenaar van Soeka maniesan was een degelijk suikerfabrikant, een geleerde met betrekking tot zijn vak in den volsten zin des woords. Van Gulpendam was door zijne betrekking van ambtenaar bij het Binnenlandsch Bestuur jarenlang met de suikerindustrie op Java in aanraking geweest; zoodat het gesprek tusschen die twee mannen niet behoefde te kwijnen. Gevolgd door den opziener, wandelden de beide heeren voort, en onderhielden zich over de verschillende rietsoorten, die aangeplant werden. Van Gulpendam meende, dat de „teboe-njamploong” het meeste suikergehalte bevatte; de andere verklaarde, dat de ondervinding hem geleerd had, dat zulks met de teboe-itam4 het geval was. Beiden bleven op hun stuk staan, en de discussie daaromtrent werd vrij levendig; toen plotseling een gil weerklonk, en een aantal mannen, met knuppels gewapend, en met zwart gemaakte gezichten, van achter de hoopen dadoe te voorschijn sprongen, en recht op de wandelenden lossprongen. Het drietal, onthutst door die plotselinge verschijning, zette het op een loopen; maar nog hadden zij slechts weinige passen gedaan, of de vluggere Javanen hadden althans den eigenaar van de fabriek ingehaald, dien zij met een knuppelslag op het hoofd deden neêrtuimelen, alvorens hij zijn geweer in den aanslag had kunnen brengen. Op het erf werd de resident ingehaald, maar in stede van neêrgehouwen te worden, werd hij gegrepen, op den grond geworpen en zwaar gekneveld. Waar de mandoor gebleven was, dat mocht een raadsel heeten. Wellicht had die zich laten vallen, en had zich achter een hoop bladeren of achter een struik verstopt. Terwijl Van Gulpendam gebonden werd, kon hij nog zien, hoe een twaalftal mannen op het vleugelgebouw aanvlogen, waar de slaapkamer van zijne echtgenoote aangetroffen werd. Hij wilde hulp roepen; maar eene machtige vuist drong hem een prop, van een oud vod gemaakt, in den mond. Hij zag, hoe de aanvallers de deur poogden te openen, en hoe zij haar met hunne knodsen uit hare hengsels sloegen, toen zij haar gesloten vonden. Hij zag de bende naar binnen stormen. Een akelig gejammer steeg op, dat door een vreeselijken gil afgebroken werd, waarna niets meer vernomen werd.