Note 3 — XLI. De ketjoe’s te Soeka maniesan.—Eene ontzettende terechtstelling.
Reading edition
De daaropvolgende dag werd gesleten met eene nauwkeurige bezichtiging van de suikerfabriek, die evenwel op het punt was hare jaarlijksche campagne te sluiten, daar de maaltijd op zijn eind liep. In den namiddag werd eene verkwikkende wandeling ondernomen, waarbij het residentspaar getroffen werd door de hulde-bewijzen, die het vanwege de ontmoet wordende Inlanders ontving. Niet dat het daar niet aan gewoon was; het tegendeel kon beweerd worden. Steeds had Van Gulpendam, zelfs toen hij nog controleur was, stipt en streng geëischt, dat terwijl hij in de binnenlanden vertoefde, ieder Javaan, die hem ontmoette, moest hurken en zijn „sembah” brengen, dat iedere vrouw het gelaat moest afwenden3. Maar, hier geschiedde dat met zulke innige teekenen van schuchterheid, dat die voor bewijzen van diep ontzag en van eerbied door het ijdele paar opgenomen werden. Neen, hier in deze streken was niets te vreezen. Zooveel kennis van het Javaansche karakter meende Van Gulpendam wel opgedaan te hebben.