Note 3 — XL. Het „virtus nobilitat”.—Anna en Dalima.—Een telegram.
Reading edition
„Daaromtrent loopen de verhalen uiteen,” antwoordde de nènèh. „De een vertelt, dat het „wong spor”3 (lieden van den spoorweg) zijn, die zich met jagen vermaken. En, inderdaad, hebben zij geweren bij zich. Een ander vertelt, dat zij jacht op slangen maken. Nu daar kunnen zij hier genoeg van vangen. Bij het hierheen komen heb ik nog een „oelor welang”4 op het pad gezien. Gelukkig, dat ik haar bijtijds bemerkte, anders had ik er op getrapt, en dan was ik dood. Een derde vertelt, dat die toean toean de vogelnestgrotten komen bezichtigen.”