Note 10 — XXXVIII. De ambtenaren en de opium.—De vogelnestpluk te Karang Bollong.
Reading edition
„Of er vele menschen gevonden worden, die zich met die inzameling bezighouden, zult ge vragen. Gij weet, dat geen volk meer gehecht is aan zijn geboortegrond dan de Javaan. Zoo ook hier. Er bestaat geen woester, geen ondankbaarder grond dan die der landstreek in het Karang Bollongsche gebergte. Van den veldarbeid is nagenoeg niets te halen. De kleine rijstvelden, die tusschen de berghellingen aangetroffen worden, hebben niets te beteekenen. De schrale bevolking heeft zich volgens de overlevering steeds met de inzameling der vogelnestjes bezig gehouden, en dat doet zij nog. Of zij, vóór dat de Nederlandsche regeering zich de opbrengst van de vogelnestklippen toeëigende, beter of slechter betaald werden, heb ik onmogelijk kunnen opsporen. Wat deze evenwel aan hare arbeiders liefderijk verstrekt, is minder dan schamel te noemen. Ik heb eene opgave in handen gehad van een ambtenaar in deze streken10, waaruit mij blijkt, dat de arbeider voor iederen zak, waarin tachtig nestjes gaan, in ’s lands pakhuis afgeleverd, eene som van 15, zegge in letters VIJFTIEN CENTEN erlangt …”