Note 3 — XXXVIII. De ambtenaren en de opium.—De vogelnestpluk te Karang Bollong.
Reading edition
„Ik ben al klaar,” antwoordde Theodoor, „.… de coleoptera, de crustaceeën3 mijne beste vrienden waren, en mij de meeste verstrooiing zouden aanbieden. Ik trof het gelukkig. Zieken waren er geene, en tot overmaat van geruststelling was een officier van gezondheid, dus een collega, hier aangekomen, die drie maanden verlof bekomen had, om hier in dit gematigd en bestendig luchtgestel herstel van eene beginnende miltziekte te zoeken. Die vroeg niet beter, dan om mij bij voorkomende ziektegevallen te kunnen vervangen, al ware het ook om de verveling te bestrijden, waaraan hij onmiskenbaar ten prooi was. Gretig maakte ik van de aangeboden gelegenheid gebruik, en vroeg aan den militairen kommandant permissie, om mij gedurende acht dagen in het Karang Bollongsche gebergte, dat hier in de nabijheid gelegen is, aan den entomologischen hartstocht te mogen wijden.