← Table of contents
Baboe Dalima

Note 2 — XXXVII. Eene walgelijke tegenkanting.—Twee opiumkongsie’s in gevecht.

Reading edition

„Herinnert gij u nog, dat ik ulieden bij het diner na de varkensjacht in den djoerang Pringapoes mededeeling deed van een recept van pilletjes om de opium te bestrijden,2 alsook welk succes ik en anderen daarmede reeds verworven hadden. Grenits was niets gesticht over die mededeeling, en zag de toekomst niet rooskleurig voor mij in. Zijne woorden hebben mij lang in de ooren geklonken, en nog staan zij onuitwischbaar in mijn geheugen gegrift. „Houdt dat pillenrecept voor u,” sprak hij waarschuwend. „De minister van Koloniën, die bezig is de opiuminkomsten door alle mogelijke middelen zoo hoog mogelijk op te zweepen, zou daarin eene aanranding van het gouden kalf zien. Er zijn zendelingen in hun evangeliearbeid verhinderd, er zijn menschen de Koloniën uitgezet, en er zijn ambtenaren gepensioneerd geworden, die veel minder gedaan hadden, dan zulke pillen aan den man gebracht.” Karel, gij weet dat, hoewel, met het oog op de toekomst mijner familieleden een oogenblik terneergeslagen, ik toch Theodoor’s woorden bij eenig nadenken slechts opnam als eene zwartgallige ontboezeming, geuit ten gevolge van ons gesprek bij den maaltijd, dat hoofdzakelijk over opium-schandalen en opium-ongerechtigheden geloopen had. Grenits zelf zag den toestand minder donker in dan zijne woorden wel aanduidden; want lachende hernam hij op mijne bewering, dat het zoo erg niet loopen zou: „maar een Nederlandschen Leeuw zult gij met uwe pillen niet verdienen.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings