Note 6 — XXXVII. Eene walgelijke tegenkanting.—Twee opiumkongsie’s in gevecht.
Reading edition
„Begint gijlieden te begrijpen?” vroeg August van Beneden met een glimlach. „Dat is gelukkig! Gij weet, de residentie Bengawan grenst ten noorden aan die twee pachtperceelen. En de gevolgen bleven dan ook niet uit. De kust aan de Java-zee stond voor de kongsie Hok Bie open. De smokkelvaartuigen voeren ijverig tusschen die kust en Singapore en Bali op en neer; de smokkelwaar vond haren weg door hare pachtperceelen en binnen zeer korten tijd was Bengawan zoodanig met gesloken opium overstroomd, die tegen acht duiten6 willig van de hand gezet werd, een prijs, waarvoor de wettige pachter onmogelijk slijten kon. Toch trachtte Tio Siong Mo het onvermijdelijke te trotseeren. Hij begon met stipt aan zijne verplichtingen te voldoen, en den bedongen pachtschat op de gestelde datums in ’s lands kas te storten, in de hoop, dat de Europeesche ambtenaren hem steunen zouden, tegenover den sluikhandel, die ’s lands kas dreigde te benadeelen. Welk gevolg zijne vertoogen bij de hoofden van Gewestelijk Bestuur in de verschillende residentiën hadden?.… Schwamm darüber.… En, mocht hij ook van een enkelen hoofdambtenaar medewerking ondervinden, van de mindere opiumbeambten ondervond hij dat niet. Integendeel, die waren geheel en al op de hand van de machtige kongsie Hok Bie, die geen dienst, haar bewezen, onbeloond liet. Dat prompte betalen van den pachtschat ging goed, zoolang Tio Siong Mo geld had. Hoe welvoorzien evenwel zijne kas was, het was ook hier: waar steeds veel van afgaat en schier niets bijkomt, daar is het einde slechts een quaestie van tijd. In de tweede helft van het tweede pachtjaar failleerde Tio Siong Mo. Hij kon onmogelijk zijne onkosten dekken, en had toen een kolossalen achterstand bij ’s lands kas, waarvan zeer weinig te recht kwam; omdat zijne borgen op het wichtig oogenblik naar Singapore ontvlucht waren, en zoo slim met hunne bezittingen omgesprongen hadden, dat zij niets dan schulden achterlieten.