Note 4 — XXXVII. Eene walgelijke tegenkanting.—Twee opiumkongsie’s in gevecht.
Reading edition
„Al heel spoedig—ja, zelfs met keerende mail—ontving ik in antwoord op mijn welgemeend pogen het navolgende schrijven: „In het voorstel, vervat in uw schrijven van den zooveelsten, verlangt de regeering niet te treden. Immers invoer van zoogenaamde opiumpillen moet in den laatsten tijd, behalve ter hoofdplaats Batavia, ook hebben plaats gehad in andere residentiën van Java. Ofschoon die pillen heeten bestemd te zijn, om de schuivers het gebruik van opium af te leeren, dienen zij toch inderdaad om hun, die zich, hetzij wegens de hooge kosten of om andere redenen, niet op de gewone wijze van opium kunnen voorzien, het opiumgenot op goedkooper wijze te verschaffen.4 Bestond er reeds twijfel, terwijl gij controleur in de residentie Santjoemeh waart, dat gij er u als ambtenaar toe leendet, om—zij het dan ook zoogenaamd met een goed doel—de verordeningen der regeering omtrent het opium-monopolie te ontduiken, en zoo mede te werken tot benadeeling van ’s lands inkomsten,—uw schrijven geeft thans de meeste zekerheid, dat gij dergelijke praktijken op uwe nieuwe standplaats beproefd hebt. Op de diensten van een ambtenaar, die zóó ’s lands belangen opvat, kan de regeering onmogelijk prijs stellen; en ware het niet, dat de beweegredenen, die u genoopt hebben te handelen, zooals gij deedt, ontegenzeggelijk een goed doel beoogden, alsook dat uwe familie-verhoudingen mij hebben doen terugdeinzen, zou ik u als onbekwaam voor den dienst bij het Binnenlandsch Bestuur, voor ontslag hebben voorgedragen. Ik heb den Gouverneur last gegeven u in uwe gangen ernstig na te gaan, en bij de minste tekortkoming onmiddellijk te rapporteeren. Gij moet goed begrijpen, dat de Staat hooger toewijding noodig heeft, dan het gehoor geven aan ziekelijke philantropische opwellingen, en dat derhalve bij de minste reden van ontevredenheid, gij op geene consideratie hoegenaamd te rekenen hebt …””