← Table of contents
Baboe Dalima

Note 3 — XXXV. Twee vriendinnen in het Karang Bollongsche.

Reading edition

Maar, hoe schamel het gebouwtje ook was, hetwelk daar op die berghelling eenzaam en verlaten stond, hoe armoedig het zich ook voordeed, toch onderscheidde het zich van die hutten daar ginds, daar beneden, van de hutten der dèsabewoners. Het was namelijk proper, en droeg niet den stempel van onreinheid, welke veelal de Javaansche woning van den eenvoudigen dorpsbewoner kenmerkt, wanneer Europeesch toezicht daaraan ontbreekt. De Javanen zijn en blijven een Oostersch volk, en hebben hunne punten van overeenkomst met andere takken van die groote afstamming, men moge hen Mooren, Hindoe’s, Arabieren, Chineezen, Egyptenaren, Berbers of zelfs Grieken, Italianen dan wel Spanjaarden noemen. Het geheele huisje zag er met zijn dakbedekking van nieuwe nipah-bladeren,3 met zijne omwandingen van goudgele „poeloepoe”4 (bamboe-horden) netjes en zindelijk uit, terwijl er zich voor een erfje, tot tuintje ingericht, met goed onderhouden paden, door weelderige grasperkjes slingerende, vertoonde. Ook de bloemperken en de sierplanten duidden op nauwgezette verzorging, en was het geheele erfje ook aan de achterzijde, door een vrij dichte „loentas”5-heg omgeven. Achter het huisje strekte zich tusschen de omheining een bescheiden grasperk uit, waarop kruiselings geplaatste bamboestaken ontwaard werden, die door lange touwen aan elkander verbonden, en zoo tot droogtoestellen ingericht waren voor lijnwaden, voornamelijk voor vrouwenkledingstukken, als sarongs en slendangs, die er dan ook in vrij groot getal in den wind wapperden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings