← Table of contents
Baboe Dalima

Note 2 — XXXV. Twee vriendinnen in het Karang Bollongsche.

Reading edition

Ook de aanblik van die wereldzee bracht het zijne bij om het panorama, dat zich voor de hut uitspreidde, tot een zeer merkwaardig te maken. Was toch de zee kalm, dan strekte zij zich met haar donkerblauw vlak eindeloos, eindeloos ver, tot bij den gezichteinder uit, die daar ginds zijn onberispelijken boog vormde, en glinsterde onder de tropische zonnestralen als een spiegel van metaal; terwijl eenige weinige visschersvaartuigen, die de Moeara Djetis trachtten binnen te komen, met hare blanke maar vreemdsoortige zeilen de watervlakte aangenaam stoffeerden. Stond de zuidoost-passaat stevig door en werd die in zijn opruiende beweging door den vloed geholpen, ja, dan was er geen zeil te bespeuren; maar dan rolden machtige deininggolven aan, die bij het bereiken van de riviermonding, onder den tegenstand, dien zij van het afstroomende bergwater ondervonden, woest opsteigerden, een oogenblik als een blauwen muur voortrolden, om eindelijk zich in eene machtige krul over te buigen, in verblindend schuim te breken, en zoo eene branding of beter eene baar te vormen, die een verheven schouwspel opleverde, welke de Moeara in eene kokende melkzee veranderde, maar ook ieder vaartuig met verwoesting en verderf bedreigde, dat door zoo’n golf overvallen werd. Dan werd daar een „prororoca”2 in het klein vertoond, welk natuurtafereel evenwel, van het standpunt der hut, in zijne geringste bizonderheden kon waargenomen worden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings