Note 1 — XXXIV. Eene landraadzitting.—Van Beneden’s pleidooi.
Reading edition
Op de westelijke helling van den Goenoeng Poleng,1 die bergmassa, welke als het ware de kern uitmaakt van het Karang Bollonggebergte, aan Java’s zuiderstrand gelegen, verhief zich in de nabijheid van de kleine dèsa Ajo, een schamel hutje, dat daar tusschen een paar ribben van den steilen bergwand voor het oog van de van noord en zuid naderenden, als in een terreinplooi verscholen lag.