Note 10 — XXXI. Vriendengekeuvel.—De opium te Atjeh.
Reading edition
Wil de lezer weten, hoe de regeering zich beijvert de opium te Atjeh te weren? Bij art. 1 van het reglement voor de pacht van het recht tot invoer en verkoop van opium in Groot-Atjeh, vastgesteld bij Ord. dd. 6 October 1884 Stbl. No. 168 is o. a. bepaald:
„De pachter is bevoegd te onderzoeken of en zoo ja, hoeveel opium een vaartuig aan boord heeft, zoomede om een wacht aan boord te plaatsen, om te waken tegen ongeoorloofde lossing van opium.”
Ik laat de mogelijkheid van het ontstaan van internationale geschillen door dien maatregel buiten bespreking. Door die bepaling wordt evenwel zeer zeker de opiumpachter gebaat; maar ’s lands kas?… Ik geloof niet, dat er eene bepaling zou kunnen uitgedacht zijn, die beter eene overstrooming van sluikopium in de hand zou kunnen werken en de verstrekking van wettige opium tot een minimum zou kunnen brengen. In verband hiermede leze men nog eens de aanteekening No. 1 op bladz. 47 van het eerste deel. ↑