← Table of contents
Baboe Dalima

Note 8 — XXXI. Vriendengekeuvel.—De opium te Atjeh.

Reading edition

„Gij zult mij wellicht te gemoet voeren, dat, wanneer het vergift niet langs wettigen weg, het langs clandestienen verkregen ware geworden. Neen! driemaal neen!!! Het vijandelijk land bevond zich destijds, en bevindt zich thans weer zoo streng mogelijk geblokkeerd8. Geen handelsvaartuig kon of kan het noordwestelijke gedeelte van Sumatra’s kust naderen, zonder doorzocht te zijn. Toen was en nu nog is een betrekkelijk gering toezicht voldoende om te beletten, dat ook maar een enkele taël9 clandestiene opium in het door ons bezette gedeelte van het Atjehsche rijk aan wal gebracht kwam, of komt. Er was toen, en er is ook thans nog slechts zeer weinig moeite te nemen, om het vergift te weren10. Maar neen, dat vooral wilde men niet, en wil men nog niet. Bij voorbaat moeten reeds maatregelen genomen worden, om de opiumpacht tot vollen bloei te kunnen brengen, wanneer de bevolking van het beoorloogd wordende land den nek onder het juk zal gekromd hebben. Ook moest der Nederlandsche natie zand in de oogen gestrooid worden met een bate, die te Atjeh werkelijk opgebracht wordt, maar die op zedelijk en op financiëel gebied hoogst nadeelig werkt. Om dat tweeledige doel te bereiken, is men er niet voor teruggedeinsd, de militaire macht en andere landsdienaren te vergiftigen, te démoraliseeren, ja aan de grootste verdierlijking prijs te geven! En, dat alles ter wille van het uitzicht op de rijke baten, die het opiummonopolie ook in dien hoek van den Archipel aan ’s lands kas zal afwerpen, wanneer Atjeh eenmaal de zegeningen van het Nederlandsche bestuur zal aanvaarden, en langs wettigen weg vergiftigd zal worden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings