Note 6 — XXXI. Vriendengekeuvel.—De opium te Atjeh.
Reading edition
„Het ligt voor de hand, nietwaar? dat geen pachter zou gevonden zijn, wanneer slechts opium te verkoopen ware geweest aan de trouw gebleven Marassanen. Wanneer toch aangenomen zou kunnen worden, dat daarvan alle mannen schoven,—hetgeen in de verste verte niet waar is; onder den kleinen man is het opiumschuiven minder in zwang dan op Java,—dan zoude dat nog geen driehonderd schuivers uitmaken. Van die is onmogelijk 16,000 gulden ’s maands pacht te betalen, al aten zij opium, al dronken zij opium, in stede van dat vergift slechts te rooken. Reken, dat de pachter ook nog de van Gouvernementswege verstrekte opium te betalen heeft, dat hij zijne overige uitgaven het hoofd moet bieden, dat hij leven moet, en er ook op staat om eenige winst te maken; zoodat veilig mag aangenomen worden dat, om 16,000 gulden pacht te kunnen betalen minstens voor drie malen die som aan opium is verkocht moeten worden6 Maar, wie gebruikte dan de opium, die zoo’n bate aan ’s lands kas bezorgde?