Note 3 — XXXI. Vriendengekeuvel.—De opium te Atjeh.
Reading edition
„Dank je wel, laat het je genoeg wezen, dat ge daar door de ongure geuren gauw verjaagd zoudt worden. Die menschen liggen daar opeengehoopt, in een ellendige ruimte, veel te klein voor zooveel gevangenen. Het eenige meubilair, dat gij daar zoudt zien, is niets anders dan eene baleh-baleh, die in onzindelijkheid zoodanig met den vloer wedijvert, dat van beiden de oorspronkelijke kleur niet meer te erkennen is. Terwijl ’t—het meubilair wel te verstaan—des nachts nog vermeerderd wordt met ettelijke vertegenwoordigers van het tonnenstelsel, die het hunne ertoe bijdragen om de lucht te verpesten. Voegt daar nu bij, dat slechts zeer spaarzaam licht en lucht door een paar ronde en zwaar getraliede luiken aan de gevangenen bedeeld wordt, zoodat het er uiterst bedompt en tamelijk schemerachtig is, dat de wanden, die witgekalkt heeten, overdekt zijn met bloedvlekken, die er streepsgewijs opgesmeerd en afkomstig zijn van muskieten en ander nog meer onrein gedierte, die door de menschelijke bewoners tegen den muur platgedrukt werden, met sirihspuw3 en met andere nog meer walgelijke viezigheden, dan zult gij mij dankbaar zijn, nietwaar? dat ik u zoo’n bezoek afraad.”