Note 9 — III. Hoekoem Kamadoog.—De familie Van Gulpendam.
Reading edition
Na haar huwelijk had zij haren echtgenoot moeten volgen, die er voor zorgde steeds uiterst eenzame plaatsingen in de binnenlanden der residentie van zijn schoonvader te erlangen. Zoo was hij controleur te Brandowo geweest, daarna assistent-resident te Bandjar Oetara, plaatsen waar nagenoeg geen Europeesch personeel aanwezig was, en waar dus niemand de handelingen van het ambtenaarsgezin had kunnen gadeslaan. Hoe hij daar dan ook in uiterst goede relatiën gestaan had, èn met den regent van wege de cultuurprocenten9, èn met den gedelegeerde van den opiumpachter, die beiden noodig hadden, dat de oogen van de Nederlandsche autoriteit niet te veel zagen; ook hoe zij geld uitleende tegen twee percent ’s maands en zich niet ontzag kostbare zaken als juweelen, poesaka-wapens10 enz. in onderpand aan te nemen, was een diep geheim gebleven, en had Van Gulpendam niet verhinderd tot resident op te klimmen. Zijne jarenlange afzondering had ook geen gunstige uitwerking op zijn karakter, ook niet op dat zijner eega gehad. Door de gedurige aanraking met niemand anders dan ondergeschikten, die steeds voor hen bogen, was vooral het humeur van Laurentia onverdragelijk geworden. Zij was de heerschzuchtige vrouw verpersoonlijkt, en dat karaktergebrek was zoo met haar uiterlijk samengeweven, dat zij, wanneer zij zich in haar gevoel van eigenwaarde als residentsvrouw met vorstelijk voorkomen bij officiëele gelegenheden aan het vulgus vertoonde, voor een uitmuntend beeld van Juno, die meest trotsche van alle godinnen, zou hebben kunnen dienen.