Note 6 — III. Hoekoem Kamadoog.—De familie Van Gulpendam.
Reading edition
Mevrouw Laurentia van Gulpendam, geboren Termolen, was eene statige matrone, van ruim zeven lustra, wier uiterlijk nog zeer bevallig was en niet te veel door het moederschap geleden had. Zij had maar een kind, de lieve Anna, gebaard, dat zij nog, ten einde haren onberispelijken boezem niet te schaden en hare schoonheidsmiddelen niet te zien verwelken, aan de zorgen eener min toevertrouwd had. In weerwil van zoo veel voorzorgen deed zich toch de invloed van den tijd gelden, en al moest ook erkend worden, dat zij den jarenlast met eere torschte, zoo waren toch een laagje „bedak” (stuifmeel van rijst) en nog andere toiletgeheimmiddelen noodig, om hier en daar een onbescheiden rimpeltje te „breeuwen”,—volgens de uitdrukking van haren echtgenoot, die altijd veel met marinezaken had op gehad, en het eigenaardige taaleigen der zeemanswereld bij alles, zoowel in zijne officiëele omgeving, als in de huwelijkskoets te pas bracht,—of de teint wat te helpen, nog de frischheid der jeugd te vertoonen. Hier en daar zou een enkele zilverdraad in den rijken kastanjebruinen haardos even merkbaar worden; wanneer nènèh Wong toewa zich niet haastte bij de ontdekking, dat verraderlijke haar uit te trekken. De nog steeds fraai gevormde lippen begonnen ook wat van hun inkarnaat te verliezen; ook de mondhoeken volvoerden voor de ingewijden eene bijna nog onmerkbare nederhangende beweging, die eene onaangename plooi dreigde te vormen; maar nènèh Wong toewa had ook voor het mondtoilet eene zuurachtige vloeistof, welke door eene soort van „semoet api”6 geleverd werd, en als vinaigre de toilette dienst deed, en voor de rimpels der mondhoeken een smeerseltje uit vet van „tjitjaks” en „gekko’s,”7 waarin in gesmolten toestand ettelijke schorpioenen en duizendpooten den folterdood gestorven waren. Nènèh Wong toewa had als ervaren „doekoen”8 nog meer wondermiddelen ter harer beschikking. Want betooverde de statige Laurentia nog steeds haren gemaal door hare bekoorlijkheden; moest de buitenwereld erkennen, dat zij nog steeds eene schoone vrouw genoemd moest worden; verwekten haar middel, hare schouders, haar boezem, wanneer zij in gala gekleed op eene dansreceptie verscheen, nog steeds afwijkende gedachten bij het mannelijke, en ijverzuchtige opwellingen bij het vrouwelijke gedeelte van het gezelschap, dan kwam nènèh Wong toewa daarvoor den eereprijs toe, dien zij dan ook, achter een schutsel staande, ten volle genoot, wanneer zij bij zoo’n gelegenheid hare „njonja” (mevrouw) bespieden en opmerken kon, hoe gevierd en aangebeden deze werd.