← Table of contents
Baboe Dalima

Note 4 — XXIX. Van Nerekool op verkenning.—Eene vrijspraak.

Reading edition

Ja, de verklaring van den overleden bandoelan Singomengolo was stellig. Hij had een doosje, met tjandoe gevuld, onder den buikband, die den sarong om haar middel sloot, tusschen de plooien van genoemd kleedingstuk gevonden. Dat doosje was door de zorgen van den controleur Verstork behoorlijk verzegeld geworden; en door de commissie van weging en keuring was bevonden geworden, dat het inhield: achtentwintig mata’s bereide opium, die er ruw en zwart uitzag, (roepanja kasar dan hitam) en een zuren reuk (bahoenja ketjoet)4 had, en derhalve beschouwd werd, als niet afkomstig te zijn van den opiumpachter. Toen evenwel het bedoelde doosje, dat in judicio aanwezig was, aan Mokesuep en Lim Ho vertoond werd, aarzelde laatstgenoemde een poos, maar eindigde toch met de verklaring af te leggen, dat hij bij de worsteling niet opgemerkt had, dat Singomengolo het aangeduide doosje had gevonden, daar hij te veel pijn aan zijn oor had, en zich onledig hield met dat gekwetste deel te verbinden; dat hij dat doosje eerst gezien had, toen de bandoelan het aan den controleur Versterk overhandigde.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings