Note 1 — XXVIII. Correspondentie.
Reading edition
„Zoo is thans de toestand in de weinige maanden, nadat gij het district verlaten hebt! En om de maat van ellende vol te meten, loopt thans een gerucht, dat de landrente verhoogd1 en de overige belastingen voor de Inlanders verscherpt, terwijl hun nieuwe lasten op de schouders gelegd zullen worden. Geldschrapen onder allerlei vorm! Onder den vorm van gedwongen cultures, onder den vorm van heerendiensten, onder den vorm van landrente, onder den vorm van belasting op het zout, onder den vorm van in- en uitvoerrechten, onder den vorm van belasting op het geslacht, onder den vorm van opiumkitten, onder den vorm van speelholen, onder den vorm van lombarden, onder den vorm van.… Hel en duivel! alles te zamen om den Inlander zijn laatste en zoo zuur verdiende duit afhandig te maken! Willem, Willem, waar moet dat heen? Ik voorzie niets dan rampen, die hetzij vroeg, hetzij laat, maar zeer zeker komen zullen; want de toestand van het district Banjoe Pahit is geen op zichzelf staande toestand; maar kan, met eenige schakeering in de grondoorzaken, als type voor dien van geheel Java gelden.…”