← Table of contents
Baboe Dalima

Note 2 — XXII. Eene vendutie wegens vertrek in Java’s binnenlanden.

Reading edition

„Mijne heeren,” had de Opperlandvoogd na de gebruikelijke plichtpleging gezegd, „ik heb eene aanklacht van ergerlijken aard van den resident van Santjoemeh ontvangen, betreffende een controleur 1ste klasse. Ook is een verweerschrift van dien ondergeschikten ambtenaar ingekomen, dat met die aanklacht van den resident lijnrecht in strijd is. Het is daarom, dat ik het advies der heeren wensch in te winnen. De resident van Santjoemeh is een zeer ijverig staatsdienaar, die den lande uitstekende diensten bewijst; maar in zijne uitspraken, vooral als het zijne ondergeschikten geldt, is hij te absoluut, en laat hij zich wel eens door zijne hartstochten leiden, waarbij evenwel, ik moet erkennen, steeds ’s lands belangen in het oog worden gehouden. Zoo is het, naar mij voorkomt, ook thans weer. Ik zou dan ook zonder aarzelen aan die zaak eene zoodanige wending wenschen gegeven te zien, dat zonder dat de hoogstgeplaatste zich in zijn gezach gekrenkt kon gevoelen, evenwel beide partijen tevreden gesteld werden. Maar, er is hier meer. Het verschil tusschen den resident en den controleur raakt den opiumpachter van Santjoemeh genoegzaam, om een conflict met dezen te doen vreezen. Ja, ik meen verder te kunnen gaan. Ik wensch mijn denkbeelden onuitgesproken te laten omtrent de standpunten, door beide ambtenaren ingenomen, en dus niet te willen beslissen, wie gelijk of ongelijk heeft; maar het zou niet onmogelijk wezen, dat een nauwgezet onderzoek, waarop trouwens de controleur aandringt, zooveel aan het licht zou brengen, dat de tegenwoordige opiumpachter Lim Yang Bing van de aanstaande verpachting zou moeten uitgesloten worden. Die eventualiteit zou wellicht uit een billijkheids-oogpunt toe te juichen zijn; maar hierbij valt niet uit het oog verloren te worden, dat Lim Yang Bing, als de rijkste Chinees te Santjoemeh, aan het hoofd staat van de voornaamste Kongsie aldaar, en als zoodanig een grooten invloed op zijn rasgenooten uitoefent. Een onmiddellijk gevolg daarvan is, dat bij de aanstaande opiumverpachting zijne uitsluiting een aanmerkelijke daling van den pachtschat zou veroorzaken. En,… dat in een tijd als de tegenwoordige!.… Ja, ik herhaal het, en dat in een tijd als de tegenwoordige!… Ik heb toch een cijfertelegram uit den Haag ontvangen, dat de begrooting van den Minister van Koloniën geene genade in de oogen van de Vertegenwoordiging heeft gevonden, omdat de middelen van inkomsten te laag geraamd zijn, en op de uitgaven niet genoeg besnoeid is2. Dat telegram bevat meer, het meldt mij, dat een uwer, mijne heeren, geroepen zal worden, om de opengevallen portefeuille van Koloniën te aanvaarden. Wie hij ook zijn moge, ik benijd hem die eer niet. Maar een eerste vereischte voor hem zal zijn: de inkomsten zoo hoog mogelijk op te drijven, en daartoe leent zich de opiumpacht, wat men er ook over zeggen of denken moge, bij uitnemendheid. Om dus de taak van den aanstaanden minister niet te verzwaren, zal het zaaks zijn, den opiumpachter van Santjoemeh de hand boven het hoofd te houden. Dat zal allicht, zoo meldt mij de resident, een verschil met den vorigen pachtschat van zes ton leveren.…”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings