Note 1 — XXI. Op het kantoor van den resident.
Reading edition
„„Het zij mij door U. H. Ed. Gestr. vergund er op te wijzen, dat ik in mijne twaalfjarige loopbaan bij het Binnenlandsch Bestuur heb leeren begrijpen, dat de opiumpacht is een Staat in den Staat; dat om der wille van de opiumpacht, al wat een volk liefhebben of eerbiedigen kan, met voeten wordt vertreden en vertrapt. De opiumpachter behoeft politiereglement noch wetboek van strafrecht te ontzien; zijne satellieten dringen de woningen binnen en schenden het huisrecht der bevolking; zijne spionnen en zijne, althans de door hem betaalde oppassers ontzien niets hoegenaamd. Een Europeaan zou streng gestraft worden, wanneer hij deed tegenover de bevolking, wat het uitvaagsel van het menschdom, dat in dienst van den pachter is, straffeloos die bevolking aandoet. Den man ontzien zij niet, evenmin de vrouw of het meisje. In de woningen, op den publieken weg houden ze den eenen en de andere aan, en visiteeren en betasten hen op het bloote lijf, zonder zich aan eenig protest te storen. De gemeenste streken voeren die lieden uit, hunne straffeloosheid bezigende, om aan de meest onzedelijke lusten te voldoen, of hun haat te koelen1. Het gebeurde met het Javaansche meisje Dalima is daarvan weer een treurig bewijs.””