Note 5 — II. In de djaga monjet.
Reading edition
„Dat ’s onnoodig”, hervatte Ardjan. „Zij zelf heeft mij dat in de djoekoeng verhaald. Gisteren wandelde zij met een kind, een neefje van haren heer, in de Salak-laan5 achter het residentiehuis. Het kind wierp zijn bal in eene sloot langs den weg. Dalima bad een Chinees, die daar bij toeval passeerde, om het speeltuig op te visschen. Hij voldeed aan dat verzoek; maar in stede van den bal aan het kind terug te geven, wierp hij hem met alle kracht en zoo ver hij kon, in den tuin. Het kind liep juichend den bal na; onderwijl sprong de Chinees op het meisje toe, dat zonder erg het kind natuurde, stopte haar, voor dat zij een gil had kunnen slaken, een prop in den mond, wierp haar een zak over het hoofd en droeg haar tot aan het einde van de laan, waar zij in eene djoekoeng gelegd werd, die daar in de sloot dobberde. Het vaartuig stelde zich in beweging, en een uur later was zij aan boord van de Kiem Ping Hin.…”