Note 2 — XVIII. De onschuld ten val.
Reading edition
De lezer zal zich herinneren, dat Singomengolo, na zijne heldendaad in de dèsa Kaligaweh uitgevoerd te hebben, zich op weg naar de eenzame hut begeven, en den bewoner daarvan naar Santjoemeh gezonden had. Deze laatste had twee boodschappen te verrichten. Hij moest eerst een briefje aan Lim Ho eigenhandig bezorgen; daarna moest hij naar het residentiehuis gaan, om Dalima mede te deelen, dat haar vader plotseling bedenkelijk ziek was geworden, en hij haar nog voor het laatst wenschte te zien. De boodschapper, een slimme kerel, steeg op een dier kleine maar onvermoeibare Javaansche paarden, die met hunne stalen spieren onbegrijpelijk snel groote afstanden kunnen afleggen. Het was omstreeks elf uren, toen hij bij de sierlijke woning van babah Lim Yang Bing stil hield. Hij trof het bizonder goed; want daar ondervond hij geen oponthoud. Lim Ho lag behagelijk op eene weelderige rustbank uitgestrekt, met het lange Chineesche pijpenroer in den mond, met een kommetje „tjoe”2 op een knaapje bij zich, en luisterde met een soort verrukking naar een paar zijner bedienden, zonen van het Hemelsche rijk evenals hij, die, met overeengeslagen beenen op een stoel gezeten, op de „trauwkoei” (soort tweesnarige viool) speelden, en aan dat instrument de meest erbarmelijke tonen ontlokten, die niet alleen een Vieuxtemps of een Paganini, maar zelfs al de katers uit de buurt, die anders op het gebied van muzikalisch gevoel niet zeer kieskeurig uitgevallen waren, op de vlucht zouden gedreven hebben. Zoodra Lim Ho den boodschapper ontwaardde, vloog hij van den divan op, greep het briefje, opende het, en las slechts deze weinige woorden, die een ervaren telegraaf-correspondent alle eer zouden aangedaan hebben: